arrow close icon-chevron-left icon-chevron-right icon-twitter icon-facebook icon-linkedin icon-zoom icon-trash icon-user icon-cart icon-search icon-chat

1. Afval in historisch perspectief

Eind jaren zestig van de vorige eeuw kwam met name door de Club van Rome meer aandacht voor het milieu. Het milieu stond hoog op de politieke agenda. Ook in Nederland werd geconstateerd dat op verschillende fronten milieumaatregelen genomen moesten worden.

Er kwam een stroom van sectorale wetgeving op gang (te beginnen met de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in 1969), waarbij het de intentie was om één wet te maken voor alle afvalstoffen en de bodem. Daar heeft de wetgever uiteindelijk van afgezien. Voor elk probleemgebied ontstond een andere wet. Op 1 november 1977 trad bijvoorbeeld de Wet chemische afvalstoffen in werking, die in 1979 werd gevolgd door de Afvalstoffenwet. Er werd een aanzet gegeven tot het voorkomen van afval, tot hergebruik en tot verbetering in de verwerking van afvalstoffen.

In de jaren tachtig van de vorige eeuw leidden zeer zware bodemverontreiniging (in Lekkerkerk en de Volgermeerpolder) en een dioxineaffaire tot grote maatschappelijke onrust. Hierdoor kreeg de afvalstoffenproblematiek meer nadruk in de politiek. De eisen aan onder andere het storten van afval werden verscherpt. 

Ladder van Lansink 

Begin jaren tachtig van de vorige eeuw kwam er een nieuw afvalstoffenbeleid, met de focus op preventie, hergebruik en het reduceren van ongewenste milieueffecten bij het beheer van afvalstoffen. Aan de basis hiervan lag de motie van Kamerlid Lansink (CDA): ‘de Ladder van Lansink’. De meest milieuvriendelijke verwerkingswijze kreeg hierdoor prioriteit. Volgens het beleid van de overheid moest zo veel mogelijk afval de Ladder van Lansink beklimmen. Daarbij gold: hoe hoger hoe beter. De Ladder van Lansink is opgebouwd uit de volgende treden (in afnemende mate van wenselijkheid):  

  • preventie
  • hergebruik
  • verbranden
  • storten 

Wet milieubeheer

De Ladder van Lansink ligt ten grondslag aan de in 1993 vastgelegde voorkeursvolgorde in de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer verving de oude Hinderwet, de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne, de Afvalstoffenwet en de Wet chemische afvalstoffen. Het oogmerk van de Wet milieubeheer is de bescherming van het milieu. De wet kent een specifiek hoofdstuk over afvalstoffen en regelt daarin op hoofdlijnen de preventie, het hergebruik en de verwijdering van huishoudelijk en bedrijfsafval, gevaarlijk afval en het grensoverschrijdend transport. 

Beleid en handhaving

In de periode voor de Afvalstoffenwet van 1979, hadden gemeenten op basis van de Hinderwet een leidende rol in het afvalbeheer. Dit omdat de meeste gemeenten ook een eigen stortplaats hadden. Opschaling naar provinciaal niveau was onontbeerlijk om de afvalproblematiek beheersbaar te maken. De provincie kreeg daardoor meer verantwoordelijkheid.

De nadruk lag op provinciale zelfverzorging en de provinciale milieuverordeningen werden erg belangrijk. Door de invoering van de Wet milieubeheer ontstonden meer regels. Bijvoorbeeld voor het centraal melden en registreren van de afgifte en ontvangst van bedrijfsafval en gevaarlijk afval.

Of voor het verwijderen van afval en het inzamelen van huishoudelijk afval. Ook internationale ontwikkelingen, zoals het Verdrag van Bazel, hebben hun stempel gedrukt op het afvalbeleid. In het midden van de jaren negentig namen internationalisering en schaalvergroting een grote vlucht in de afvalsector. Dat leidde tot frictie tussen het beleid, de handhaving en de praktijk. Er moest een nieuwe visie op het afvalbeleid komen.

Naar het huidige beleid

Om de nieuwe visie vorm te geven, werd in 1996 de Commissie Toekomstige Organisatie Afvalverwijdering opgericht, beter bekend als de Commissie Epema. Het advies dat de commissie gaf, werd grotendeels overgenomen door de regering en wettelijk vastgelegd in een vernieuwd hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer die voor het grootste deel in 2002 in werking trad. De verantwoordelijkheden werden naar rijksniveau verschoven. De provincies hadden geen beleidstaak meer, maar de handhaving en vergunningverlening bleven wel op provinciaal niveau. In 2005 zijn de melding- en registratie- verplichtingen gewijzigd en per 1 januari 2011 ook een aantal andere zaken zoals uitzonderingsregels op de meldingsplicht voor inrichtingen voor papier, texiel, schroot, banden, et cetera. 

Waarom deze brochure?

De regelgeving rondom het vervoer van afvalstoffen is complex. Zij bestaat uit nationale en internationale wetgeving, verordeningen, regelingen, besluiten en vergunningen, die administratieve verplichtingen met zich meebrengen. De in de Stichting samenwerkende ondernemersorganisaties zien het als hun taak de logistieke regelgeving en de daarbij behorende administratieve verplichtingen inzichtelijk te maken voor hun leden. In deze brochure vindt u daartoe alle informatie.

De brochure behandelt nationale en voor in Nederland gevestigde ondernemingen relevante internationale wet- en regelgeving opdat ontdoeners (degene die zich van afvalstoffen wensen te ontdoen), transporteurs en ontvangers direct duidelijkheid kunnen krijgen over de administratieve verplichtingen rondom afvalstoffen.