De bewijskracht van de vrachtbrief

Editie 80 | November 2016 | Jaargang 30

De belangrijkste functie van de vrachtbrief is de bewijsfunctie. Als gereden wordt onder AVC of CMR, dan biedt de vrachtbrief bewijs behoudens tegenbewijs. Als het gaat om de vraag wie schade moet betalen, dan is de bewijsverdeling tussen de ladingbelanghebbende en de vervoerder vaak doorslaggevend. De vrachtbrief is onderdeel van dit bewijs.

Waar gewerkt wordt, vallen spaanders. Er gaat weleens iets mis bij het dagelijks vervoer van grote aantallen goederen. Bij het laden of lossen valt een pallet om of bij het losadres missen goederen. Als het gaat om de vraag wie de rekening betaalt, is uiteindelijk vaak doorslaggevend: wie moet wat bewijzen? En hoe?

1. INLEIDING

In deze bijdrage staat de bewijskracht van de vrachtbrief weer eens centraal. Er zijn in Weg & Wagen eerder artikelen verschenen over de bewijskracht van de vrachtbrief. In het bijzonder is daarbij gekeken naar de elektronische vrachtbrief (1). Ook verwijs ik naar het SVA-handboek: "De vrachtbrief. Direct duidelijk".

De belangrijkste functie van de vrachtbrief is wel de bewijsfunctie. De vrachtbrief heeft bewijskracht. Met andere woorden: de vrachtbrief kan bewijs leveren van de inhoud van de vervoerovereenkomst, waarbij het dan bijvoorbeeld gaat over wie de partijen bij de overeenkomst zijn en wat zij precies afspraken. Ook de staat waarin de goederen bij inontvangstneming of bij aflevering verkeerden, kan blijken uit de vrachtbrief. Mede aan de hand van een voorbeeld uit de praktijk wordt in deze bijdrage gekeken naar de belangrijke rol van de vrachtbrief bij het oplossen van de bewijspuzzel.

2. DE BEWIJSKRACHT

De bewijskracht van de vrachtbrief is op zich niet groot. De vrachtbrief bevat gegevens over de afzender, de vervoerder, de geadresseerde, de aard van de goederen en het gewicht. Wettelijk is bepaald dat deze gegevens in de vrachtbrief moeten worden opgenomen.(2) Voor binnenlands beroepsgoederenvervoer is het gebruik van een vrachtbrief wettelijk verplicht. Het is verboden om beroepsvervoer te verrichten zonder vrachtbrief.(3)

3. ZIJSTAP: GEEN VRACHTBRIEF, WAT DAN?

Voor de duidelijkheid: als de vrachtbrief niet wordt opgemaakt (en het is de afzender die dat moet doen, zegt artikel 5 AVC 2002) komt er wél een vervoerovereenkomst tot stand tussen de afzender en de vervoerder. Een overeenkomst komt immers tot stand door het doen van een aanbod (afzender zegt: "kan je voor mij een transport doen van Rotterdam naar Marseille voor EUR 250,-?") en aanvaarding daarvan (vervoerder antwoordt: "Zeker, doen we"). Meer is niet nodig.

Artikel 4 CMR bepaalt dat de vervoerovereenkomst wordt vastgelegd in een CMR vrachtbrief. Artikel 4 voegt daar aan toe dat het ontbreken of een onregelmatigheid of het verlies van de vrachtbrief noch het bestaan noch de geldigheid van de vervoerovereenkomst aantast.

4. TERUG NAAR DE BEWIJSKRACHT.

Keren we terug naar de bewijskracht van de vrachtbrief. Als inleidende opmerking wijs ik eerst op een voor het leveren van bewijs belangrijk uitgangspunt. Ik veronderstel de hoofdregel van het bewijsrecht bekend, te weten dat degene die zich beroept op rechtsgevolgen van door hem gestelde feiten, het bewijs daarvan moet leveren.(4) Maar: zo zullen wij hieronder zien, er zijn vele voorbeelden waarin de eiser geholpen wordt door een bewijsvermoeden. Vermoed wordt dan dat een bepaalde voorstelling van feiten juist is (bijvoorbeeld schade aan vervoerde goederen), behoudens door de ander te leveren tegenbewijs.

De wettelijke bewijskracht van de vrachtbrief is dus gering. De wet zegt dat de in de vrachtbrief opgenomen gegevens over de goederen geen bewijs opleveren jegens de vervoerder. Alleen als het gegevens betreft die een zorgvuldig vervoerder op juistheid kan controleren, is dat anders.(5) Er kan dan uiteraard discussie ontstaan over de vraag wat een zorgvuldig vervoerder nu wel en wat hij niet kan controleren. Voorbeeld: de vervoerder hoeft niet alle individuele dozen, geladen op een pallet, te tellen en de verpakking van al die dozen te controleren.(6)

Heeft de vervoerder in de vrachtbrief verklaard dat hij de juistheid van bepaalde gegevens uitdrukkelijk erkent, dan staat dat vast. De wet zegt daarover dat de vrachtbrief een door de vervoerder afzonderlijk ondertekende verklaring moet bevatten. Tegenbewijs is dan niet meer toegestaan.(7) Overigens heeft de vervoerder geen wettelijke controleplicht.(8)

Al met al biedt deze regeling weinig bewijskracht. Maar: de wet laat partijen vrij om over de bewijskracht afspraken te maken en dat is ook gebeurd. Artikel 6 AVC 2002 geeft een eigen regeling over de bewijskracht van de vrachtbrief. Artikel 6 AVC 2002 verplicht de vervoerder bij de inontvangstneming van de zaken de juistheid van de vermelding van het aantal zaken op de vrachtbrief alsmede de uiterlijk goede staat van de zaken en hun verpakking te controleren. Bij afwijking moet de vervoerder daarvan aantekening maken op de vrachtbrief. Dit hoeft niet als de vervoerder meent, dat het vervoer daardoor aanmerkelijk wordt vertraagd.

Artikel 6 lid 2 bepaalt vervolgens dat de vrachtbrief bewijs levert, behoudens tegenbewijs, van de voorwaarden van de vervoerovereenkomst en de partijen bij de vervoerovereenkomst, van de inontvangstneming van de zaken en hun verpakking in uiterlijk goede staat, van het gewicht en van het aantal zaken. Indien de vervoerder geen redelijke middelen heeft om dit op juistheid te controleren, dan levert een vrachtbrief geen bewijs op van die vermeldingen.

Ook de CMR kent een eigen specifieke bewijsregeling. Als het gaat om de bewijskracht van de vrachtbrief, bepaalt artikel 9 CMR dat de vrachtbrief volledig bewijs levert van de voorwaarden van de overeenkomst en van de ontvangst van de goederen door de vervoerder. Maar: tegenbewijs is dan nog wel toegelaten.

De CMR bevat een belangrijke bepaling over het controleren van de gegevens in de vrachtbrief en de goederen door de vervoerder. Artikel 8 CMR bepaalt dat de vervoerder bij inontvangstneming van de goederen verplicht is te onderzoeken de juistheid van de vermelding in de vrachtbrief van het aantal colli en hun merken en nummers, en de uiterlijke staat van de goederen en hun verpakking.

Artikel 8 lid 2 CMR zegt dan dat, als de vervoerder geen redelijke middelen heeft om dit op juistheid te controleren, de chauffeur in de vrachtbrief gemotiveerde voorbehouden moet maken. Hij moet in de vrachtbrief met redenen omkleed aangeven welke voorbehouden hij maakt. De afzender is hier niet aan gebonden, indien hij die voorbehouden niet uitdrukkelijk aanvaard heeft.

Zijn er geen voorbehouden gemaakt door de vervoerder in de vrachtbrief, dan wordt vermoed dat de goederen en hun verpakking in uiterlijk goede staat waren op het moment dat de vervoerder de goederen in ontvangst nam. Ook wordt vermoed dat het aantal colli en hun merken en nummers conform de opgave in de vrachtbrief zijn. Ook hier is tegenbewijs dus nog toegestaan.

Als het gaat om de bewijskracht van de vrachtbrief, levert artikel 30 CMR nog een belangrijke bepaling. Daarin staat namelijk dat de ontvanger, als hij niet direct op het ogenblik van de aflevering voorbehouden maakt en dat meldt aan de vervoerder, geacht wordt de goederen te hebben ontvangen in de staat zoals omschreven in de vrachtbrief. Hier gaat het om zichtbare schade die de geadresseerde vaststelt zonder dat de chauffeur daarbij aanwezig is. Voor onzichtbaar verlies of beschadigingen heeft de geadresseerde nog zeven dagen de tijd om voorbehouden te melden aan de vervoerder. De geadresseerde moet in die voorbehouden dan de algemene aard van het verlies of de beschadiging aangeven. Doet hij dit niet, dan wordt vermoed dat de goederen zijn ontvangen in de staat die is omschreven in de vrachtbrief. De geadresseerde moet daar dan tegenbewijs van zien te leveren.

In het geval dat de staat van de goederen door de geadresseerde wel is vastgesteld in het bijzijn van de chauffeur, dan is géén tegenbewijs meer toegestaan tegen deze gezamenlijke vaststelling. Dit is slechts anders als het onzichtbaar verlies of schade betreft. Voorwaarden zijn wel dat de geadresseerde binnen zeven dagen na de gezamenlijke vaststelling schriftelijke voorbehouden heeft gemaakt aan de vervoeder.

Hier komt de bewijskracht van de vrachtbrief dus in volle omvang naar voren. In de praktijk is het van groot belang dat de afzender, de vervoerder en de geadresseerde zich realiseren hoe de bewijslevering is geregeld in de AVC en de CMR. Er worden allerlei bewijsvermoedens aangenomen, waartegen dan maar weer tegenbewijs moet worden geleverd. Dat is vaak nog een lastig verhaal, waarop regres van schade bijvoorbeeld kan stranden.

5. UIT DE DAGELIJKSE PRAKTIJK

Aan de hand van een praktijkvoorbeeld kan mooi worden geïllustreerd hoe de bewijskracht van de vrachtbrief uitpakt.

Een chauffeur van vervoerder Willems krijgt mondeling opdracht van Pregon (onderdeel van de Van den Ban-groep, die als afzender op de vrachtbrief staat) een partij autobanden te vervoeren van Nederland naar Italië, ter aflevering aan de koper daarvan. De autobanden zijn verkocht door Van den Ban, en de bedoeling is dat de koper de koopprijs van ruim EUR 90.000,- zal voldoen door een bankcheque af te geven aan de chauffeur voordat aflevering plaatsvindt. Dan hebben we het over rembours. De koper heeft vooraf al een kopie van de cheque gefaxt aan Van den Ban ter goedkeuring. De chauffeur krijgt de cheque en neemt contact op met Van den Ban om te controleren of beide cheques overeenkomen. Nadat de chauffeur groen licht krijgt, geeft hij de autobanden af.

Vervolgens vindt er een listige oplichtings- of wisseltruc plaats. Op het moment dat een medewerker de cheque in een enveloppe doet, is de chauffeur even afgeleid. De medewerker van de koper/ geadresseerde verwisselt dan de cheque voor een andere cheque tot een bedrag van slechts EUR 200,-. Willems wordt vervolgens door Pregon aangesproken voor het niet inbare remboursbedrag.

De rechtbank stelt vast dat de vrachtbrief geen remboursbeding vermeldt. Dat is wel een vereiste volgens artikel 6 lid 2 sub c CMR. Gevolg: op grond van de niet-vermelding van een remboursbeding in de vrachtbrief geldt dat het beding geen onderdeel uitmaakt van de door de chauffeur aanvaarde vervoersopdracht. Daarmee kan de vordering niet gebaseerd worden op artikel 21 CMR. Dat artikel bepaalt dat de vervoerder aansprakelijk is tot het remboursbedrag. Daarmee strandt de vordering op basis van de CMR! De rechtbank keek vervolgens nog of de wijze waarop de chauffeur de instructies had opgevolgd een onrechtmatige daad opleverde van Willems. Ook dat was niet het geval. Kort en goed hoefde de chauffeur niet bedacht te zijn op deze wisseltruc.(9)

6. CONCLUSIE

De belangrijkste functie van de vrachtbrief is de bewijsfunctie. De wet verbindt aan de vrachtbrief weinig bewijskracht, maar daar is in de AVC 2002 invulling aan gegeven. De CMR geeft een vergelijkbare regeling. Op grond daarvan moet de vervoerder bij inontvangstneming van de goederen zonder meer alert zijn, om niet later in bewijsnood te komen. De chauffeur dient het aantal goederen op de vrachtbrief te controleren en de uiterlijke staat van de goederen en hun verpakking. Het maken van gemotiveerde voorbehouden is relevant. Wat nog wel eens kan helpen, is het maken van een foto. Is er eenmaal sprake van een bewijsvermoeden, dan draaien de rollen om en moet degene die het vermoeden tegen heeft, tegenbewijs leveren.

VOETNOTEN

1 Weg & Wagen nr. 72, maart 2004 & Syllabus SVA-congres 27 maart 2014

2 Artikel 15 lid 1 Regeling Wegvervoer Goederen

3 Artikel 2.13 lid 1 Wet Wegvervoer Goederen

4 Artikel 150 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering

5 Artikel 8:1124 lid 1 BW

6 Zie: Tekst & Commentaar bij artikel 8:1124 BW, Haak.

7 Artikel 8:1124 lid 2 BW

8 Artikel 8:1120 BW

9 ECLI:NL:RBSHE:2011:7923.


h1, h2, h3, h4, h5 { font-weight: bold !important; } h1, h2, h3 { font-size: 18px !important; } h4, h5 { font-size: 16px !important; } Print Friendly and PDF
De bewijskracht van de vrachtbrief
mr. Jos K.M van der Merché (Partner en advocaat bij AKD Advocaten) 31 oktober, 2016
Deel deze post
ArchiEF
Toepasselijkheid van de CMR en multimodaal vervoer
Editie 80 | November 2016 | Jaargang 30