Wie heeft de claim op de vervoerder: de expediteur of zijn opdrachtgever?

Weg en Wagen 94 | November 2021 | Jaargang 35

De expediteur is bij het organiseren van het vervoer van goederen een echte spin in het web. Hij is de schakel tussen zijn opdrachtgever en de vervoerder. De expediteur sluit met zijn opdrachtgever een overeenkomst met als doel zorg te dragen voor het doen vervoeren van de goederen.[1] De expediteur sluit daartoe –meestal in eigen naam- een overeenkomst met een vervoerder, die de goederen van A naar B vervoert.[2] Dat is dagelijkse kost en niets bijzonders.

Maar wat als er tijdens het transport iets mis gaat? Het is de opdrachtgever van de expediteur die de schade lijdt. Die ladingschade valt in de regel niet te verhalen op de expediteur, die ‘er tussenuit valt’. De opdrachtgever heeft geen contractuele band met de vervoerder. Het is de vervoerder die voor schade tijdens het vervoer in beginsel aansprakelijk is. Aan die positie van de expediteur en vooral het onderscheid tussen een expediteur en een vervoerder is in Weg & Wagen regelmatig aandacht besteed.

In deze bijdrage kijken we naar een vraag die minder behandeld is tot nu toe: wat is de positie van de opdrachtgever van de expediteur als deze schade wil verhalen op de vervoerder? De wet biedt een oplossing. In deze bijdrage staat centraal de vraag hoe en wanneer de opdrachtgever van de expediteur de vervoerder kan aanspreken. Ook kijken we naar de verplichtingen die de expediteur hierbij heeft. Daar zitten behoorlijk wat haken en ogen aan. Een recente uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch maakt dat goed duidelijk.[3]

Inleiding

Laten we beginnen bij de verplichtingen van de expediteur jegens zijn opdrachtgever. De expediteur is weliswaar niet de partij om aan te spreken bij ladingschade of vertraging tijdens transport, maar dat wil niet zeggen dat de expediteur geen verplichtingen heeft jegens zijn opdrachtgever. De wet bepaalt dat de expediteur verplicht is om zijn opdrachtgever te melden met wie hij als expediteur een vervoerovereenkomst sloot. [4] Dat weet de opdrachtgever immers niet. Dit moet ‘onverwijld’ volgens de wet en dat betekent dus dat de expediteur terstond mededeling moet doen aan zijn opdrachtgever  met wie hij contracteerde.[5] Ook moet de expediteur zijn opdrachtgever alle documenten en gegevens ter beschikking stellen waarover hij beschikt of die hij redelijkerwijs kan verschaffen.[6] De expediteur moet dus niet stilzitten na het sluiten van de wegvervoerovereenkomst. Hij moet de reis volgen en bewijsmateriaal over de toestand van de zaken aan de opdrachtgever ter beschikking stellen.[7]

Dit helpt de verlader op weg, want zo weet hij in ieder geval tot wie hij zich moet wenden bij schade of vertraging. De expediteur heeft hier in de praktijk weinig moeite mee. Dat is ook verstandig, want doet de expediteur dit niet, dan moet hij de opdrachtgever de schadevergoeding betalen die de opdrachtgever had kunnen krijgen als de expediteur de wegvervoeropdracht zelf zou hebben uitgevoerd.[8]

Maar daarmee is de opdrachtgever er nog niet, want hij heeft nog steeds geen contract met de vervoerder. Hier biedt de wet uitkomst. De opdrachtgever kan namelijk de rechten en bevoegdheden die hij zou hebben gehad als hij direct met de vervoerder zou hebben gecontracteerd, verkrijgen. Dat zijn de rechten die de afzender heeft, de contractuele wederpartij van de vervoerder.[9]

De opdrachtgever verkrijgt die rechten volgens de wet van het ogenblik af waarop hij de expediteur duidelijk laat weten dat hij die rechten wil uitoefenen.[10]

Wat nu als de opdrachtgever vervolgens zijn schade in een gerechtelijke procedure wil verhalen op de vervoerder? Dan heeft hij naast het verkrijgen van die rechten die de afzender heeft ook de expediteursverklaring nodig.[11] De opdrachtgever kan in rechte optreden wanneer hij een verklaring overlegt van de expediteur waarin staat dat tussen de opdrachtgever en de expediteur een expeditieovereenkomst werd gesloten. 

Aan de hand van een praktijkvoorbeeld zien we op welk moment de opdrachtgever die rechten precies verkrijgt en hoe de expediteursverklaring werkt.

Een vliegtuigmotor over de weg naar Istanbul

Eerst kort de feiten. Expediteur Bosporus geeft opdracht aan Tek Trans  om een vliegtuigmotor over de weg te vervoeren van Zevenbergen naar Istanbul (Turkije). Bosporus doet dit uit hoofde van een expeditieovereenkomst die zij sloot met haar opdrachtgever Jan de Rijk. Tek Trans besteedt het vervoer uit aan Trans Otto. Op dit wegtransport is de CMR van toepassing.[12]

Na aflevering in Istanbul (op 12 juli 2013) wordt gemeld dat de motor niet goed zou zijn geladen. Als gevolg van de verkeerde belading zou de motor tijdens het vervoer beschadigd zijn geraakt. Opdrachtgever Jan de Rijk stapt naar Tek Trans en stelt haar aansprakelijk. Jan de Rijk en Tek Trans komen diverse verlengingen van de verjaringstermijn overeen. Uiteindelijk, op 1 augustus 2016, begint Jan de Rijk een procedure tegen Tek Trans. Jan de Rijk is geen afzender / contractspartij van Tek Trans. Dat is Bosporus. Lopende die procedure, bij de mondelinge behandeling, komt een expediteursverklaring gedateerd 28 augustus 2017 op tafel.

Al die tijd, vanaf 12 juli 2013, heeft Bosporus zelf Tek Trans niet aansprakelijk gesteld. Er is geen stuitingsbrief gestuurd, noch zijn er afspraken gemaakt over termijnverlengingen.

En daar gaat het wringen, want Tek Trans stelt dat zij geen vervoerovereenkomst sloot met Jan de Rijk. Zij beroept zich verder op de verjaringstermijn van een jaar in de CMR.

Het oordeel van het Hof

Het Hof stelt centraal de vraag of Jan de Rijk bevoegd was de vordering jegens Tek Trans in te stellen. Tek Trans had immers geen contract met Jan De Rijk, maar met Bosporus. Een eventuele eigen vordering van Bosporus is inmiddels verjaard. Daar is iedereen het wel over eens.

Maar, zegt Jan de Rijk, als opdrachtgever van Bosporus heeft zij de bevoegdheid verkregen een vordering jegens Tek Trans in te stellen door de door Bosporus uitgebrachte expediteursverklaring.

Het Hof gaat de werking van de expediteursverklaring uitvoerig uitpluizen. Het Hof betrekt daarbij de parlementaire geschiedenis van artikel 8:63 BW. Het Hof stelt vast dat over het rechtskarakter en de werking van de expediteursverklaring (ook nu nog) geen eenduidige opvatting bestaat. In de parlementaire geschiedenis valt de term ‘rechtstreekse actie tegen de vervoerder’, als het om de positie van de opdrachtgever van de expediteur tegen de vervoerder gaat. Het Hof zegt dan dat de woorden ‘rechtstreekse actie’ de indruk wekken dat het hier gaat om een zgn. action directe. Dat zou een eigen, directe actie opleveren tegen de vervoerder. Dat kan niet de bedoeling zijn geweest volgens het Hof. De reden daarvoor is dat uit de tekst van de wet zelf duidelijk blijkt dat de opdrachtgever geen rechtstreeks en zelfstandig recht uitoefent. De opdrachtgever krijgt immers de beschikking over het vorderingsrecht dat voor de expediteur, in diens hoedanigheid van afzender, uit de vervoerovereenkomst voortspruit. Dat is juridisch iets anders.[13] De opdrachtgever heeft jegens de vervoerder niet meer rechten dan de expediteur — uitsluitend als afzender — jegens deze had. De opdrachtgever verkrijgt dus de ‘afzendersrechten’.

Als de opdrachtgever vervolgens in een gerechtelijke procedure tegen de vervoerder schade wil verhalen, moet hij de expediteursverklaring overleggen. Het Hof kijkt naar de vraag wanneer dat moet. Volgens het Hof blijkt nergens uit dat dit al bij inleidende dagvaarding moet gebeuren. De verklaring kan ook in de loop van de procedure worden overgelegd.

Dat helpt Jan de Rijk dus, want zij legde de verklaring (pas) in de loop van de procedure over.

Maar daarmee zijn we er nog niet, zegt het Hof. Want wanneer verkrijgt de opdrachtgever nu echt die afzendersrechten? Het Hof zegt dat dit het geval is op het moment dat de opdrachtgever aan de expediteur meedeelt dat hij die rechten jegens de vervoerder wil uitoefenen, en deze mededeling door de expediteur is ontvangen en begrepen. Ook hier knoopt het Hof heel nauw aan bij de tekst van de wet en de parlementaire geschiedenis. Volgens het Hof was dat pas op 28 augustus 2017, de datum van ondertekening van de expediteursverklaring, en niet eerder.

Daarmee dreigt het verjaringsdoek voor Jan de Rijk te vallen.

Jan de Rijk vindt dat van verjaring geen sprake is, omdat zij de verjaringstermijn steeds tijdig had gestuit en er termijnverlengingen waren afgesproken. Maar volgens het Hof viel er voor de datum van de expediteursverklaring niets te stuiten. Op het moment van de stuitingen en termijnverlengingen had Jan de Rijk nog geen afzendersrechten volgens het Hof. Expediteur Bosporus heeft zelf Tek Trans niet aangesproken binnen een jaar (vóór 13 juli 2014), noch de lopende verjaring gestuit of geschorst. Haar (eigen) eventuele vordering op Tek Trans was op 28 augustus 2017 al verjaard.

Het Hof blijft bij de uitleg van artikel 8:63 BW dus heel dicht bij de letterlijke tekst ervan. Het is niet de expediteursverklaring die nodig is voor het verkrijgen van de afzendersrechten, maar het kenbaar maken van de wil daartoe door de opdrachtgever aan de expediteur. De (schriftelijke) expediteursverklaring is nodig voor het vervolgens in rechte instellen van die afzendersrechten door de opdrachtgever, aldus het Hof.

Conclusie: de vordering van Jan de Rijk op Tek Trans is volgens het Hof verjaard.

Lessen voor de praktijk

Deze zaak lijkt op het eerste gezicht streng uit te pakken voor de opdrachtgever van de expediteur, die toch binnen de eenjaarstermijn stuitte en verlengingsafspraken maakte met de vervoerder. Toch vind ik de uitkomst de juiste.

Het is de expediteur die de vervoerovereenkomst sluit met de vervoerder. Gaat er iets mis tijdens transport, dan doet de expediteur er goed aan de vervoerder tijdig aansprakelijk te stellen voor eventuele schade en de verjaringstermijn in het oog te houden.

De opdrachtgever moet zich op zijn beurt goed realiseren dat hij tijdig kenbaar moet maken aan de expediteur dat hij de afzendersrechten tegen de vervoerder wil uitoefenen. De expediteursverklaring zelf is daartoe niet geschikt. Die verklaring is nodig als de opdrachtgever de vervoerder vervolgens in rechte wil aanspreken.

De vervoerder ontspringt de dans niet: hij zal zich moeten verweren tegen ofwel zijn contractspartij (de expediteur) of tegen de opdrachtgever die de afzendersrechten heeft verkregen én de expediteursverklaring als het tot een rechtszaak komt.

                       
Voetnoten
1. Artikel 8:60 BW.
2. Artikel 8:20 BW. Voor de wegvervoerovereenkomst: artikel 8:1090 BW.
3. De zaak is gepubliceerd in Schip & Schade 2021/42 (ECLI:NL:GHSHE:2021:747).
4. Artikel 8:63 lid 1 BW.
5. Tekst & Commentaar BW, artikel 8:63 lid 1 BW, aant. 1, pag. 5527.
6. Artikel 8:63 lid 1 BW.
7. Tekst & Commentaar BW, artikel 8:63 lid 1 BW, aant. 1, pag. 5528.
8. Artikel 8:63 lid 3 BW.
9. Artikel 8:63 lid 2 BW en artikel 8:20 BW en artikel 8:1080 BW voor de overeenkomst van goederenvervoer over de weg.
10. Artikel 8:63 lid 2 BW.
11. Artikel 8:63 lid 2 BW.
12. Artikel 1 CMR.
13. Dit is een action oblique, zegt het Hof in r.o. 4.3.2

                             
       





      h1, h2, h3, h4, h5 { font-weight: bold !important; } h1, h2, h3 { font-size: 18px !important; } h4, h5 { font-size: 16px !important; } Print Friendly and PDF
      Wie heeft de claim op de vervoerder: de expediteur of zijn opdrachtgever?
      mr. Jos K.M. van der Meché (Partner en advocaat bij AKD Advocaten) 24 november 2021


      Deel deze post
      ArchiEF

      De juridische gevolgen van een roofoverval
      Weg en Wagen 94 | November 2021 | Jaargang 35