arrow close icon-chevron-left icon-chevron-right icon-twitter icon-facebook icon-linkedin icon-zoom icon-trash icon-user icon-cart icon-search icon-chat
Afval einde afvalcriteria, CO2

Vloeibare CO2 uit rookgas behoeft geen kwalificatie als afval

Vermindering van CO2-uitstoot staat bovenaan de politieke agenda. In dit verband is een interessante vinding in opkomst, waarbij uit afgevangen rookgassen bij afvalverbrandingsinstallaties vloeibare CO2 wordt geproduceerd. De vloeibare CO2 komt vervolgens in aanmerking voor andere toepassingen, zoals in de glastuinbouw, waar tuinders gebruik maken van de CO2 om hun gewassen te laten groeien. Dit ter vervanging van CO2 uit aardgasinstallaties.

Aangezien bijvoorbeeld glastuinbouwbedrijven geen vergunning hebben om afvalstoffen te ontvangen, op te slaan of te verwerken,  is vanuit juridisch oogpunt van betekenis of de vloeibare CO2 die uit afgevangen rookgassen wordt geproduceerd moet worden gekwalificeerd als een afvalstof of niet. Als de vloeibare CO2 geen afvalstof is, dan valt de afzet ervan in de markt niet onder de beperkende regels van het afvalstoffenrecht. Ook het transport van de geproduceerde vloeibare CO2 van de afvalverbrandingsinstallatie naar de glastuinbouwbedrijven is dan niet gebonden aan regels voor afval.

Einde-afvalcriteria

Ter beantwoording van de vraag of de vloeibare CO2 een afvalstof is of niet, kent artikel 6 van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen[1] een beoordelingskader met zogenoemde einde-afvalcriteria. In artikel 6 lid 1 van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen is opgenomen dat sommige specifieke afvalstoffen niet langer afvalstoffen zijn in de zin van artikel 3 punt 1), wanneer zij een behandeling voor nuttige toepassing, waaronder een recyclingsbehandeling hebben ondergaan en voldoen aan specifieke criteria die opgesteld moeten worden onder de volgende voorwaarden:

  1. de stof of het voorwerp wordt gebruikelijk toegepast voor specifieke doelen;
  2. er is een markt voor of vraag naar de stof of het voorwerp;
  3. de stof of het voorwerp voldoet aan de technische voorschriften voor de specifieke doelen en aan de voor producten geldende wetgeving en normen, en tevens
  4. het gebruik van de stof of het voorwerp heeft over het geheel genomen geen ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid.

Als gevolg van de wijzigingsrichtlijn 2018/851 wordt voorwaarde a veranderd in: de stof of het voorwerp is bestemd om te worden gebruikt voor specifieke doelen.

Ter afsluiting is in artikel 6 lid 1 van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen bepaald dat de criteria, indien nodig, grenswaarden voor verontreinigende stoffen omvatten en rekening houden met eventuele nadelige milieugevolgen van de stof of het voorwerp.

Als gevolg van de wijzigingsrichtlijn 2018/851 kent artikel 6 van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen niet alleen een gewijzigde  voorwaarde a, maar is het artikel veel specifieker geworden over nationale einde-afvalcriteria. Aangezien die criteria in het geval van vloeibare CO2 nog ontbreken, wordt op de verdere wijziging van artikel 6 in dit artikel niet ingegaan.

Einde-afvalcriteria zijn nog slechts voor een beperkte groep stoffen en voorwerpen uitgewerkt. Voor situaties waarbij einde-afvalcriteria nog niet op communautair niveau zijn opgesteld, bepaalt lid 4 van artikel 6 van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen dat lidstaten per geval kunnen beslissen of een bepaalde afvalstof niet langer een afvalstof is. Daarbij wordt rekening gehouden met de toepasselijke rechtspraak en als gevolg van wijzigingsrichtlijn 2018/851 wordt rekening gehouden met grenswaarden voor verontreinigende stoffen en eventuele negatieve gevolgen voor het milieu en de menselijke gezondheid.

Webtoets

Aangezien voor vloeibare CO2 uit afgevangen rookgassen nog geen einde-afvalcriteria in Europees verband zijn ontwikkeld, moet de vraag of sprake is van een afvalstof van geval tot geval worden beoordeeld. De Nederlandse overheid heeft hiervoor een webtoets ‘afvalstof of grondstof’[2] ontwikkeld en bovendien is Rijkswaterstaat aangewezen om ‘rechtsoordelen’ hierover uit te vaardigen als bedrijven op voorhand het standpunt van de overheid willen weten. Deze rechtsoordelen over ‘wel of geen afval’ zijn overigens niet voor bezwaar of beroep vatbaar, maar kunnen in de praktijk natuurlijk wel enige houvast bieden aan bedrijven die met dit vraagstuk te maken hebben.

Bij de toets aan de hiervoor genoemde voorwaarden onder a tot en met d, lijkt de vloeibare CO2 die uit afgevangen rookgassen wordt geproduceerd in aanmerking te komen voor de einde-afvalkwalificatie. De vloeibare CO2 wordt namelijk gebruikelijk toegepast voor specifieke doelen, zoals de inzet in de glastuinbouw als groeibevorderaar. In die zin is er duidelijk een markt voor of vraag naar het product. Ook is verdedigbaar dat het gebruik van de vloeibare CO2 over het geheel genomen geen ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid heeft. Immers, de vloeibare CO2 komt in de plaats van de uitlaatgassen van aardgasinstallaties die in de glastuinbouw worden gebruikt. Daar komt bij dat de vloeibare CO2 die uit de rookgassen van afvalverbrandingsinstallaties wordt geproduceerd schoner is in vergelijking met de schadelijke componenten in de uitlaatgassen van gasgestookte installaties.

De voorwaarde of de vloeibare CO2 voldoet aan de technische voorschriften voor de specifieke doelen en aan de voor producten geldende wetgeving en normen is moeilijker te beantwoorden. Voor de kwaliteit van CO2 zijn namelijk geen landelijke normen vastgesteld. In de praktijk verwijzen belanghebbende bedrijven naar een standaard die grenswaarden bij geleverde CO2 bevat ten aanzien van de verontreinigingen of stoffen waarvoor planten gevoelig zijn, te weten de zogenoemde OCAP-standaard.[3]

Finse rechtszaak

Dat de productie en latere toepassing van vloeibare CO2 vanuit afgevangen rookgassen uit afvalverbrandingsinstallaties past binnen de einde-afvalkwalificatie, sluit goed aan op een rechtszaak van ruim tien jaar geleden waarin het Europese Hof van Justitie uitspraak deed op 4 december 2008[4]. Deze zaak voert terug op een Finse kwestie waarbij het Hof van Justitie onder andere de vraag kreeg voorgelegd onder welke voorwaarden het in een vergassingsinstallatie ontstane gereinigde productgas als een product kan worden beschouwd, zodat de bepalingen betreffende afval niet langer daarop van toepassing zijn. Het Hof van Justitie liet deze vraag onbeantwoord omdat de Kaderrichtlijn afvalstoffen aangeeft dat het begrip ‘afval’ uit artikel 3 van de richtlijn 2000/76/EG betreffende de verbranding van afval geen gasvormige stoffen dekt. Daarmee leverde de langdurige procedure uiteindelijk geen oordeel van de Europese rechter op.

Echter, in de aan de uitspraak voorafgaande conclusie van 11 september 2008 van de Advocaat-Generaal[5] wordt een belangwekkende uitleg gegeven over de vraag of het gereinigde productgas als een product kan worden beschouwd. Dergelijke conclusies zijn een advies aan het Europese Hof van Justitie en bevatten doorgaans verdergaande juridische uitwerkingen dan de uiteindelijke gerechtelijke uitspraken van het Hof zelf.

Het onderhavige productgas uit de Finse zaak wordt uit afval gewonnen. De hoedanigheid van afval gaat niet noodzakelijkerwijs verloren door de omzetting in gas. Ook gasvormige stoffen kunnen afval in de zin van de afvalstoffenrichtlijn zijn. Artikel 2, lid 1, sub a, van de afvalstoffenrichtlijn sluit alleen gasvormige effluenten in de atmosfeer uit. Wanneer gasvormige stoffen – zoals in casu – niet in de atmosfeer worden afgevoerd, kunnen zij derhalve in beginsel als afval worden geclassificeerd.

Onder het motto “Wanneer is ‘afval’ geen afval meer?” kwam Advocaat-Generaal J. Kokott tot de conclusie dat het in een vergassingsinstallatie ontstane en gereinigde productgas als een product moet worden beschouwd, zodat de bepalingen betreffende afval niet langer daarop van toepassing zijn, wanneer het voldoende gelijkt op primaire grondstoffen of andere producten. In zijn beschouwingen neemt de Advocaat-Generaal de arresten Niselli[6] en Mayer Parry Recycling[7] tot uitgangspunt. Deze inmiddels al wat oudere jurisprudentie – de Finse zaak is immers ook al lang geleden – wordt hier nu niet verder besproken, maar in de kern stelt de Advocaat-Generaal dat het er op aankomt of afval in een desbetreffend proces zodanig wordt geraffineerd dat het van primaire grondstoffen of andere producten nauwelijks kan worden onderscheiden.

In de conclusie staat verder dat, zoals ook steeds bij de vaststelling of een stof afval is, de beëindiging van de hoedanigheid van afval met inachtneming van alle omstandigheden moet worden beoordeeld. Daarbij is bijvoorbeeld van belang of er een markt bestaat voor het gerecycleerde product, respectievelijk of de krachtcentrale op de markt een brandstof met vergelijkbare eigenschappen zou kunnen verkrijgen die niet als afval wordt beschouwd. De omstandigheid dat het product goed verkoopbaar is, is niet beslissend. Ook stoffen en goederen met een commerciële waarde kunnen afval zijn.

De Advocaat-Generaal stelt dat vermoed mag worden dat het productgas vóór de filtratie vanwege de verontreinigingen van andere producten of primaire grondstoffen nog niet voldoende overeenkomst vertoont, terwijl het gereinigde productgas mogelijkerwijs met natuurgas en soortgelijke gasvormige brandstoffen vergelijkbaar is. Deze feitelijke beoordeling wordt aan de nationale rechter overgelaten, want het Europese Hof van Justitie buigt zich alleen over rechtsvragen en is geen ‘feitenrechter’.

Aanwijzingen

De productie van vloeibare CO2 uit afgevangen rookgassen van afvalverbrandingsinstallaties is een nieuwe vinding waar het afvalstoffenrecht in de wetgeving en jurisprudentie tot dusverre geen rekening mee heeft gehouden. De technologische ontwikkeling staat niet stil, waardoor er voorzienbaar nog vaker ten aanzien van stoffen of voorwerpen die voortkomen uit afvalstoffen de vraag naar voren komt of sprake is van een product. Hoewel de Finse kwestie over gereinigd productgas uit een vergassingsinstallatie geen volledig uitgewerkt oordeel heeft opgeleverd en de Finse casus niet in alle opzichten vergelijkbaar is, bevat de conclusie van de Advocaat-Generaal veel aanwijzingen voor de stelling dat uit afgevangen rookgassen van afvalverbrandingsinstallaties geproduceerde vloeibare CO2 géén afvalstof is maar een product.

 

 

Voetnoten

[1] Richtlijn 2008/98, gewijzigd bij Richtlijn 2018/851

[2] www.ishetafval.nl

[3] OCAP is een leverancier van CO2

[4] Hof van Justitie EU, 4 december 2008, C-317/07, ECLI:EU:C:2008:684

[5] Conclusie AG Kokott, 11 september 2008, C-317/07, ECLI:EU:C:2008:499

[6] Hof van Justitie EU, 11 november 2004, C-457/02, ECLI:EU:C:2004:707

[7] Hof van Justitie EU, 19 juni 2003, C-444/00 ECLI:EU:C:2003:356