arrow close icon-chevron-left icon-chevron-right icon-twitter icon-facebook icon-linkedin icon-zoom icon-trash icon-user icon-cart icon-search icon-chat
Retour van emballage kan afval zijn
Afval Retourproduct

Retour van emballage kan afval zijn

Een vervoerder, die lege olievaten mee terug neemt, werd door de milieuinspectie voor de strafrechter gebracht. De inspectie zag de lege olievaten als afvalstoffen. In dit artikel kijken we naar de toepasselijke regelgeving en de uitleg van deze regels door de rechter.

Steeds vaker worden overtredingen van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) (1) aan de strafrechter voorgelegd. De strafrechtspraak is wispelturiger dan de gevestigde jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak is doorgaans in EVOA-geschillen tussen bedrijfsleven en overheid de bevoegde rechter en dat heeft vanaf de inwerkingtreding van de EVOA in 1994 tot een reeks van uitspraken geleid. De strafrechter komt pas de laatste jaren meer aan bod en de beoordeling van de EVOA vanuit strafrechtelijk perspectief levert zo nu en dan verrassende inzichten op.

1. De casus

Zo ook in het geval van het retourtransport van lege olievaten vanuit Duitsland naar Nederland. Bij baggerwerkzaamheden in het buitenland bleven lege vaten over, waarvan de inhoud was gebruikt op het werk. De transporteur nam gewoontegetrouw de lege vaten mee retour, zodat deze opnieuw konden worden gevuld, al dan niet na een reinigingsbeurt. De milieuinspectie kon zich met deze aanpak niet verenigen, waarna een strafrechtelijke procedure volgde. Zowel de transporteur als de opdrachtgevende onderneming werden gedagvaard om bij de economische politierechter te verschijnen.

Het ging erom dat het Openbaar Ministerie van opvatting was dat de lege vaten als afvalstof moesten worden beschouwd, met alle wettelijke verplichtingen van dien. Met name had het transport via een  kennisgevingsprocedure op grond van de EVOA geregeld moeten zijn.

Zowel de economische politierechter als het Gerechtshof in hoger beroep veroordeelde de transporteur. De opgelegde boete was EUR 650.

2. Toepasselijke wet- en regelgeving

In deze zaak speelde een principieel afvalstoffenrechtelijk vraagstuk. De vraag is namelijk of de lege olievaten in dit geval wel een afvalstof zijn in de zin van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. (2) Als dat namelijk niet zo is, dan is de EVOA als procedurele regeling voor de in-, uit- en doorvoer van afvalstoffen niet van toepassing. Bovendien moet gekeken worden naar de Richtlijn betreffende verpakkingen en verpakkingsafval, onder welk regime de lege vaten eveneens vallen. (3)

Als het gaat om gebruikte industriële verpakkingen, waaronder deze retourvaten vallen, dient gewezen te worden op de beschikking van de Europese Commissie 2005/207/EG. Daarin staat in artikel 3, lid 2, alinea 2 en 3 het volgende:

“Herbruikbare verpakkingen worden niet als verpakkingsafval beschouwd wanneer zij voor hergebruik worden teruggezonden. Herbruikbare verpakkingen worden niet als in de handel gebrachte verpakkingen beschouwd wanneer zij opnieuw zijn gebruikt en weer beschikbaar worden gesteld. Herbruikbare verpakkingen die aan het einde van hun nuttige levensduur worden afgedankt, worden als verpakkingsafval beschouwd.”

In de beleidspraktijk van het Ministerie van VROM, thans Infrastructuur en Milieu, heeft zich in dit verband het criterium “schud-, schrap- en schraapleeg” ontwikkeld. Schud-, schrapen schraapleeg wil zeggen dat het vat zodanig leeg is dat er nog altijd restanten smeerolie aan de binnenwanden van het vat kleven. Echter, schud-, schrap- en schraapleeg betekent dat de vaten redelijkerwijs niet verder geleegd kunnen zijn dan in de praktijk mogelijk is.

Als het gaat om vaten die uit de omloop worden gehaald en worden gereinigd waarna van het verpakkingsmateriaal zelf na shredderen nieuwe verpakkingen (vaten) worden gemaakt geldt dat het criterium schud-, schrap- en schraapleeg bepaalt of sprake is van een groene lijst of oranje lijst afvalstof. Dat is dus weer een andere discussie, het gaat in dit artikel alleen om de vraag “afvalstof of geen afvalstof”.

3. Uitspraak Gerechtshof

Het Gerechtshof overwoog dat “de verpakkingsrichtlijn ten doel heeft de kenmerken en de aanbiedingsvorm vangegevens op verpakking en verpakkingsafval te harmoniseren en de gegevens onderling op elkaar af te stemmen en niet ziet op de uitleg van het begrip ‘afval’.”

Op de bechikking van de Europese Commissie waarin een verband wordt aangebracht tussen de verpakkingsrichtlijn en het begrip ‘afval’ werd door het Gerechtshof niet ingegaan.

Het Gerechtshof volgde nadrukkelijk de jurisprudentie die over het begrip afval uit de Kaderrichtlijn Afvalstoffen gaat, waarbij de vraag centraal staat of sprake is van een stof waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Volgens het Gerechtshof waren de lege olievaten in deze zaak afkomstig van een baggerschip in Duitsland waar ze werden geleegd en mee retour genomen naar Nederland ter reiniging. Het Gerechtshof stelde: “Uit het feit dat de vaten voor hergebruik dienden te worden gereinigd (...) en dus een zekere bewerking noodzakelijk was, valt af te leiden dat (...) zich van de olievaten heeft ontdaan. Derhalve is sprake van een afvalstof.”

4. Vervoerder is normadressaat

De gedaagde transporteur was van mening dat hij als vervoerder niet verantwoordelijk gesteld kon worden, omdat de EVOA-verplichtingen niet op de transporteur, maar op de marktpartijen zelf gericht zijn. De vervoerder is dan niet de zogenoemde normadressaat. Daarbij werd gewezen op de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 23 februari 2009 (4), (5) , waarbij ondermeer het volgende is overwogen:

“Naar het oordeel van de economische politierechter ziet het verbod van artikel 10.60, vijfde lid, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, op overtreding van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de EG- verordening overbrenging van afvalstoffen en is er, mede gelet op de wetsgeschiedenis, geen reden de reikwijdte van het verbod ruimer uit te leggen dan de bepaling uit de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen zelf. Dit betekent, nu de verplichting uit artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van EG- verordening overbrenging van afvalstoffen op de opdrachtgever rust, dat ook het verbod uit artikel 10.60, vijfde lid, van de Wet milieubeheer op dit onderdeel zich tot de opdrachtgever van de overbrenging van afvalstoffen richt en dat ook alleen de opdrachtgever het kan overtreden. Aangezien de verdachte vervoerder is en niet kan worden aangemerkt als opdrachtgever in de zin van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen van de transporten van 25 februari 2008, kan het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. De verdachte behoort hiervan dan ook te worden vrijgesproken”.

In de zaak van de lege olievaten dachten de economische politierechter in Utrecht (6) en daarna in hoger beroep het Gerechtshof Amsterdam7 daar echter anders over en werd de vervoerder wel strafrechtelijk tot de verantwoording geroepen. Het Gerechtshof meende dat sprake was van medeplegen van overtreding van de EVOA en dat daarom niet relevant is dat de verdachte transporteur niet de opdrachtgever was. De vervoerder werd anders dan door de economische politierechter in Zutphen dus vooral in zijn strafrechtelijke positie als “medepleger” beoordeeld, waardoor de economische politierechter in Utrecht wel tot een veroordeling kwam.

5. Conclusie

De zaak van de transporteur is inmiddels voorgelegd aan de Hoge Raad, met name om de Hoge Raad te laten beoordelen of het Gerechtshof aan de beschikking van de Europese Commissie niet de conclusie had moeten verbinden dat lege olievaten die in omloop blijven, al dan niet na tussentijdse reiniging, uitgezonderd zijn van de gebruikelijke definitie van “afval”. Totdat de Hoge Raad hierover uitspraak heeft gedaan, zullen transporteurs zich bij retourtransporten van lege verpakkingen ervan moeten vergewissen of de lege verpakkingen in juridische zin als afvalstof beschouwd moeten worden en derhalve de EVOA daarop van toepassing is.

Voetnoten

1 Verordening 1013/2006/EG, daarvoor 259/93/EG2 Richtlijn 2008/98/EG

2 Richtlijn 2008/98/EG

3 Richtlijn 94/62/EG

4 Zie ook J.C. Ozinga ‘Illegale overbrenging/sluikhandel en de vervoerder’ Weg en Wagen 64, p.17-19

5 LJN BH4296

6 Rechtbank Utrecht, 10 juni 2009 en 9 februari 2010, parketnummer 16/995313-08