arrow close icon-chevron-left icon-chevron-right icon-twitter icon-facebook icon-linkedin icon-zoom icon-trash icon-user icon-cart icon-search icon-chat
Opvolgend vervoer: Hoge Raad kiest voor ruime uitleg
Vervoerrecht Jurisprudentie, Opvolgend vervoer / artikel 34 CMR

Opvolgend vervoer: Hoge Raad kiest voor ruime uitleg

Artikel 34-40 CMR-opvolgend vervoer

Artikel 34

Indien een vervoer, onderworpen aan één enkele overeen­komst, wordt bewerkstelligd door opvolgende wegvervoer­ders, worden de tweede en ieder van de volgende vervoer­ders door inontvangstneming van de goederen en van de vrachtbrief partij bij de overeenkomst op de voorwaarden van de vrachtbrief en wordt ieder van hen aansprakelijk voor de bewerkstelliging van het gehele vervoer.

Artikel 35

  1. De vervoerder, die de goederen van de voorafgaande vervoerder in ontvangst neemt, overhandigt hem een gedateerd en ondertekend ontvangstbewijs. Hij moet zijn naam en adres op het tweede exemplaar van de vrachtbrief vermelden. Indien daartoe aanleiding is, tekent hij op dat exemplaar alsmede op het ontvangstbewijs soortgelijke voorbehouden aan als die, bedoeld in artikel 8, tweede lid.
  2. De bepalingen van artikel 9 zijn op de betrekkingen tussen opvolgende vervoerders van toepassing.

Artikel 36

Behoudens in het geval van een eis in reconventie of van een exceptie, opgeworpen in een rechtsgeding inzake een eis, welke is gebaseerd op dezelfde vervoerovereenkomst, kan de vordering tot aansprakelijkstelling voor verlies, beschadiging of vertraging slechts worden gericht tegen de eerste vervoer­der, de laatste vervoerder of de vervoerder, die het deel van het vervoer bewerkstelligde, gedurende hetwelk het feit, dat het verlies, de beschadiging of de vertraging heeft veroor­zaakt, zich heeft voorgedaan; de vordering kan tegelijkertijd tegen verschillende van deze vervoerders worden ingesteld.

Artikel 37

De vervoerder, die een schadevergoeding heeft betaald uit hoofde van de bepalingen van dit Verdrag, heeft recht van verhaal voor de hoofdsom, rente en kosten tegen de vervoerders, die aan de uitvoering van de vervoerovereenkomst hebben deelgenomen, overeenkomstig de volgende bepalingen:

a) de vervoerder, door wiens toedoen de schade is veroor­zaakt, draagt de schadevergoeding alleen, onverschillig of deze door hemzelf of door een andere vervoerder is betaald;

b) wanneer de schade is veroorzaakt door toedoen van twee of meer vervoerders, moet ieder van hen een bedrag betalen in verhouding tot zijn deel van de aansprakelijk­heid; indien begroting van de delen der aansprakelijkheid niet mogelijk is, is ieder van hen aansprakelijk in verhou­ding tot het hem toekomende deel van de beloning voor het vervoer.

c) indien niet kan worden vastgesteld, aan wie van de vervoer­ders de aansprakelijkheid moet worden toegerekend, wordt het bedrag van de schadevergoeding verdeeld tussen alle vervoerders, in de verhouding bepaald onder b).

Artikel 38

Indien één van de vervoerders insolvent is, wordt het door hem verschuldigde deel, dat hij niet heeft betaald, tussen alle andere vervoerders verdeeld in verhouding tot hun beloning.

Artikel 39

  1. De vervoerder, op wie verhaal wordt uitgeoefend ingevolge de artikelen 37 en 38, is niet gerechtigd de gegrond­heid van de betaling door de vervoerder, die het verhaal uitoefent, te betwisten, wanneer de schadevergoeding is vastgesteld bij rechterlijke uitspraak, mits hij behoorlijk van het rechtsgeding in kennis is gesteld en hij gelegenheid heeft gehad om daarin zich te voegen of tussen te komen.
  2. De vervoerder, die verhaal wil uitoefenen, kan zulks doen voor het bevoegde gerecht van het land, waarin één van de betrokken vervoerders zijn gewone verblijfplaats, zijn hoofdzetel of het filiaal of agentschap heeft, door bemid­deling waarvan de vervoerovereenkomst is gesloten. Het erhaal kan in een en hetzelfde geding tegen alle betrokken vervoerders worden gericht.
  3. De bepalingen van artikel 31, derde en vierde lid, zijn van toepassing op rechterlijke uitspraken, gegeven terzake van het verhaal ingevolge de artikelen 37 en 38.
  4. De bepalingen van artikel 32 zijn van toepassing op het verhaal tussen vervoerders. De verjaring loopt evenwel hetzij vanaf de dag van een rechterlijke einduitspraak tot vaststelling van de ingevolge de bepalingen van dit Verdrag te betalen schadevergoeding hetzij, bij gebreke van zulk een uitspraak, vanaf de dag waarop de betaling is geschied.

Artikel 40

De vervoerders kunnen onderling een van de artikelen 37 en 38 afwijkende regeling bedingen.

1. Inleiding

Op 11 september 2015 heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest (1) gewezen over de uitleg van art. 34 CMR dat over opvolgend vervoer gaat.
De vraag, die de Hoge Raad moest beantwoorden, was: is er sprake van opvolgend vervoer indien de eerste vervoerder en mogelijk de tweede vervoerder uitsluitend ‘papieren’ vervoerder zijn en de feitelijke vervoerder die het transport in zijn geheel uitvoert, de goederen en de vrachtbrief in ontvangst neemt van de oorspronkelijke afzender?

Het schema van de vervoerovereenkomsten ziet er als volgt uit:

Schema van vervoerovereenkomsten

2. De Hoge Raad

De Hoge Raad heeft bovenstaande vraag volmondig met ja beantwoord. Een feitelijke vervoerder die als laatste vervoerder in de keten zowel de goederen en de vrachtbrief in ontvangst neemt, wordt volgens de tekst van art. 34 CMR partij bij de oorspronkelijke vervoerovereenkomst. Aldus kan hij worden aangemerkt als opvolgend vervoerder waarop de gehele regeling van opvolgend vervoer van de CMR (artikelen 34-40 CMR) van toepassing is. Dit noemen we de ruime uitleg van art. 34 CMR. Daartegenover staat de enge uitleg die inhoudt dat er pas sprake is van opvolgend vervoer als de eerste vervoerder zelf een stuk rijdt en de volgende vervoerder de goederen en de CMR-vrachtbrief van die eerste vervoerder in ontvangst neemt door Ten Bruggencate aangeduid met de term ‘estafettevervoer’.(2)

De Hoge Raad voert voor de ruime uitleg drie argumenten aan:

(i) Noch de tekst van art. 34 CMR, noch de tekst van de overige bepalingen van de ‘opvolgend vervoer regeling’ (art. 35-40 CMR) dwingt ertoe art. 34 CMR aldus uit te leggen dat geen sprake kan zijn van opvolgend vervoer indien de hoofdvervoerder en mogelijke andere vervoerders uitsluitend ‘papieren’ vervoerder zijn, dat wil zeggen: zelf geen enkel deel van het vervoer feitelijk uitvoeren, maar het vervoer geheel uitbesteden.

In feite zegt de Hoge Raad dat de tekst van art. 34 CMR niet voorschrijft dat een tweede vervoerder pas opvolgend vervoerder wordt als hij de goederen én de vrachtbrief in ontvangst neemt van de eerste vervoerder die kennelijk ook al een stuk gereden moet hebben.

Strikt genomen klopt dat. Art. 34 CMR zegt heel neutraal: “(…) de tweede en ieder van de volgende vervoerders worden door inontvangstneming van de goederen en van de vrachtbrief (cursief; MHC) partij bij de overeenkomst (…)”.

En inderdaad, in art. 34 CMR staat niet van wie de tweede vervoerder of een van de volgende vervoerders de goederen en de vrachtbrief in ontvangst moet nemen. Dat kan derhalve zowel van de eerste vervoerder zijn als van de oorspronkelijke afzender.

(ii) Het tweede argument dat de Hoge Raad hanteert, is dat het voorwerp en het doel van de opvolgend-vervoerregeling is – zo volgt uit de art. 36-39 CMR – versterking van de verhaalsmogelijkheden van de ladingbelanghebbende en de verhaalzoekende vervoerder. De Hoge Raad voegt eraan toe dat een dergelijke ruime uitleg van art. 34 CMR de regeling van de art. 36-39 CMR immers beter doet beantwoorden aan de beoogde versterking van de positie van de ladingbelanghebbende en de verhaalzoekende vervoerder.

Ik vind dit een overtuigend argument dat ik destijds al naar voren heb gebracht in mijn bijdrage voor de SVA-syllabus 2008 over de opvolgend vervoerder.(3)

(iii) Ten slotte – zo besluit de Hoge Raad zijn argumenten voor de ruime uitleg van art. 34 CMR – strookt die ruime uitleg met de heersende opvatting in de rechtspraak en literatuur van de verdragslanden. De Hoge Raad verwijst naar in de conclusie van de Advocaat-Generaal (4) onder 2.11 en 2.12 vermelde literatuur en jurisprudentie.

Uit die literatuurverwijzingen kan worden opgemaakt dat in Engeland de ruime leer wordt aangehangen. Ook in Duitsland lijkt het erop dat de meeste auteurs de ruime leer aanhangen, maar daar moet toch een nuance worden aangebracht. Op zich erkent het Bundesgerichtshof de mogelijkheid van opvolgend vervoer in de zin van art. 34 CMR wanneer de eerste hoofdvervoerder slechts papieren vervoerder is, maar het hof voegt daar een formeel vereiste aan toe: er is pas sprake van opvolgend vervoer wanneer die hoofdvervoerder de CMR-vrachtbrief, die voor het gehele traject geldt, ook heeft ondertekend.(5) In de praktijk komt de ondertekening van de vrachtbrief door de papieren vervoerder nauwelijks voor, zodat volgens de opvatting van het Bundesgerichtshof er eigenlijk geen opvolgend vervoer in de zin van art. 34 CMR plaatsvindt wanneer de eerste hoofdvervoerder slechts een papieren vervoerder is. De gezaghebbende auteur Koller probeert dit formele vereiste dat strikt genomen niet wordt voorgeschreven door art. 34 CMR, te omzeilen door op te merken dat de feitelijke vervoerder die de goederen en de vrachtbrief van de oorspronkelijke afzender in ontvangst neemt, deze vrachtbrief als vertegenwoordiger van de hoofdvervoerder ondertekent.6

In Nederland zijn met name Haak (7) en Claringbould (8) voorstander van de ruime uitleg terwijl Janssen (9) en Ten Bruggencate (10) kiezen voor de enge uitleg.

Tot zover de theorie over de uitleg van art. 34 CMR zoals neergelegd in het arrest van de Hoge Raad.

3. De onderhavige zaak

Laten we die theorie nu toepassen op de zaak die tot het arrest van de Hoge Raad heeft geleid. Het betreft CMR-vervoer van computerapparatuur van Nederland naar Duitsland. Het schema ziet er als volgt uit:

CRM-vervoer van computerapparatuur van Nederland naar Duitsland

Veldhuizen, die de computerapparatuur van Hewlett Packard in ontvangst heeft genomen, stalt de vrachtwagencombinatie in het weekend van 22 en 23 januari 2005 op zijn eigen bedrijfsterrein. Daar wordt een deel van de computerapparatuur gestolen, schade € 27.448,50.

Vervolgens wordt er over dit bedrag zowel in Nederland als in Duitsland krachtig geprocedeerd.

Laat ik voorop stellen dat Trans-O-Flex deze schade snel heeft betaald aan haar Amerikaanse opdrachtgever. Amerikanen accepteren geen beroep op enige limiet. Helaas weet ik niet hoe hoog in deze zaak de CMR-limiet was, maar ik ga ervan uit dat dat hoogstens een paar duizend euro was.

In Duitsland procedeert Trans-O-Flex tegen haar ondervervoerder Beurskens. Het Landgericht Hanau veroordeelt bij vonnis van 11 september 2007 Beurskens om die € 27.448,50 plus een bedrag van € 8.656,15 aan rente aan Trans-O-Flex te betalen. Beurskens mag zich niet op de CMR-limiet beroepen omdat de feitelijke vervoerder Veldhuizen (waarvoor Beurskens moet instaan) naar Duitse opvatting ‘grob fahrlässig’ heeft gehandeld door de vrachtwagen gedurende het weekend zomaar op haar bedrijfsterrein te laten staan. Het door Beurskens ingestelde hoger beroep wordt door het Oberlandesgericht Frankfurt am Main op 6 mei 2008 afgewezen. Kortom, op basis van deze Duitse procedure heeft Beurskens € 27.448,50 plus € 8.656,15 (in totaal € 36.104,65) aan Trans-O-Flex betaald.

In Nederland procedeert Beurskens tegen Veldhuizen.(11) Beurskens vordert een verklaring voor recht dat Veldhuizen gehouden is Beurskens te vrijwaren voor de bedragen die Beurskens aan Trans-O-Flex moet betalen, in feite die € 36.104,65.

3.1 De crux van deze zaak

De crux van deze zaak zit hem in de regresregeling bij opvolgend vervoer zoals geformuleerd in art. 39 CMR. Art. 39 CMR bepaalt met zoveel woorden dat wanneer de eerste hoofdvervoerder regres neemt op de opvolgend vervoerder, die opvolgend vervoerder de gegrondheid van het gevorderde bedrag niet meer mag betwisten als de schadevergoeding bij rechterlijke uitspraak is vastgesteld in de procedure tussen de oorspronkelijke afzender en de eerste hoofdvervoerder dan wel, zoals in de onderhavige zaak, in de procedure tussen de eerste papieren vervoerder (Trans-O-Flex) en de tweede papieren vervoerder (Beurskens). Om dat vastgestelde bedrag aan schadevergoeding niet meer te mogen betwisten is wel vereist dat die opvolgend vervoerder van het oorspronkelijke rechtsgeding in kennis is gesteld en hij gelegenheid heeft gehad zich in die procedure te voegen of tussen te komen.

Terug naar onze zaak

Beurskens stelt zich op het standpunt dat Veldhuizen opvolgend vervoerder is en derhalve gehouden is op grond van het hier toepasselijke art. 39 CMR het volledige schadebedrag (€ 36.104,65) waartoe Beurskens in Duitsland is veroordeeld, aan Beurskens te vergoeden.

Met andere woorden, en hier zit ook het venijn voor Veldhuizen, opvolgend vervoerder Veldhuizen is op grond van het Duitse vonnis tussen Trans-O-Flex en Beurskens gehouden om dat volledige schadebedrag van  € 36.104,65 aan Beurskens te betalen. Veldhuizen kan zich in deze Nederlandse regresprocedure op basis van art. 39 CMR dus niet jegens Beurskens op de CMR-limiet beroepen. Zou Veldhuizen geen opvolgend vervoerder maar slechts ondervervoerder zijn geweest, dan had Veldhuizen zich naar Nederlandse opvatting (geen bewuste roekeloosheid bij diefstal van het bedrijfsterrein) wel degelijk op de CMR-limiet kunnen beroepen.

3.2 Rechtbank Utrecht en Hof Amsterdam

Rechtbank (12) en Hof (13) stellen vast dat Veldhuizen in de gelegenheid is gesteld deel te nemen aan de Duitse procedure door zich daar te voegen of tussen te komen. Het wrange voor Veldhuizen is dat als hij zich in Duitsland had gemeld dat uiteindelijk ook zou hebben geleid tot een onbeperkte aansprakelijkheid voor hem nu in Duitsland is geoordeeld dat Veldhuizen als ‘Subunternehmer’ van Beurskens ‘grob fahrlässig’ heeft gehandeld.

De hamvraag wordt nu: kan Veldhuizen als opvolgend vervoerder in de zin van art. 34 CMR worden aangemerkt? Zo ja, dan is de regresregeling van art. 39 CMR van toepassing en kan Veldhuizen zich niet meer op de CMR-limiet beroepen.

Zowel de rechtbank als het hof kiezen voor de ruime uitleg van art. 34 CMR. Met name het hof merkt op (r.o. 4.9) dat de ladingbelanghebbende niet in een slechtere positie mag komen te verkeren indien de hoofdvervoerder niet slechts een deel van het vervoer maar het gehele vervoer uitbesteedt aan een opvolgend vervoerder. Het hof oordeelt dan ook dat het voor de toepasselijkheid van art. 34 CMR niet vereist is dat de vrachtbrief en de goederen door elke ingeschakelde opvolgende vervoerder zelf in ontvangst worden genomen. Zoals aan het begin al gezegd kiest ook de Hoge Raad voor deze ruime uitleg.

4. Onderling regres tussen opvolgende vervoerders

Art. 37 CMR is nog niet aan de orde gekomen. Daarin staat – voor zover in onze zaak van belang – dat de vervoerder die de schadevergoeding heeft betaald (hier Beurskens) regres kan nemen op de feitelijke opvolgende vervoerder die de schade heeft veroorzaakt (hier Veldhuizen).

Art. 39 lid 2 CMR bepaalt dat voor die regresprocedure bevoegd is het gerecht van het land waarin één van de betrokken vervoerders zijn gewone verblijfplaats heeft. Voor Beurskens en Veldhuizen was dat in beide gevallen Nederland.

Maar veel belangrijker is art. 39 lid 4 CMR, dat bepaalt dat in de procedure tussen de regres nemende vervoerder (Beurskens) tegen de feitelijke opvolgende vervoerder (Veldhuizen) de éénjaarverjaringstermijn pas begint te lopen hetzij vanaf de dag van de rechterlijke einduitspraak tot vaststelling van de te betalen schadevergoeding, hetzij, bij gebreke van zulk een uitspraak, vanaf de dag waarop de betaling is geschied.

Dus wanneer Beurskens bij arrest van het Oberlandesgericht Frankfurt am Main (een einduitspraak) op 6 mei 2008 wordt veroordeeld om € 36.104,65 te betalen aan Trans‑O‑Flex dan heeft Beurskens nog tot en met 7 mei 2009 de gelegenheid om Veldhuizen voor dat bedrag in Nederland te dagvaarden. Zou Veldhuizen geen opvolgend vervoerder zijn maar slechts ondervervoerder dan moet Beurskens Veldhuizen dagvaarden binnen een jaar nadat de goederen zijn afgeleverd (art. 32 lid 1 (a) CMR); is casu rond 23 januari 2006.

Overigens stelt de Hoge Raad in navolging van het hof ook vast (r.o. 3.7.2) dat Beurskens, net als Trans-O-Flex een papieren vervoerder, niet zelf als opvolgend vervoerder kan worden aangemerkt; Beurskens heeft immers niet de goederen en de vrachtbrief in ontvangst genomen. Trans-O-Flex ageert in feite als afzender jegens zijn (onder)vervoerder Beurskens en op die relatie is niet de opvolgend vervoer regeling van art. 34-40 CMR van toepassing. Trans-O-Flex moet Beurskens binnen een jaar na aflevering van de goederen dagvaarden (art. 32 lid 1 (a) CMR) en Trans-O-Flex moet dat vooral – als de bevoegdheidsregelen van art. 31 CMR dat toelaten – in Duitsland doen om aldaar door de CMR-limiet te breken.

5. Wat betekent dit arrest in de praktijk?

Voor de oorspronkelijke ladingbelanghebbende en evenzeer voor de regres nemende vervoerder is de ruime uitleg van art. 34 zeer voordelig. Dat is precies de reden waarom de Hoge Raad voor de ruime uitleg heeft gekozen.

Immers, de ladingbelanghebbende krijgt naast zijn oorspronkelijke eerste papieren vervoerder de feitelijke opvolgende vervoerder die de schade heeft toegebracht, als debiteur erbij. Hij hoeft die feitelijke opvolgende vervoerder niet op grond van onrechtmatige daad aan te spreken (wat in Duitsland vaak tot grote problemen leidt), want die opvolgende vervoerder wordt gewoon partij bij die oorspronkelijke vervoerovereenkomst.

En zoals boven geschetst heeft de papieren vervoerder die regres neemt op de opvolgende vervoerder het ook veel gemakkelijker. De papieren vervoerder krijgt niet alleen een veel langere verjaringstermijn (art. 39 lid 4 CMR), veel belangrijker is dat die aldus in Nederland aangesproken opvolgende vervoerder zich niet meer op de CMR-limiet kan beroepen als in Duitsland in de hoofdprocedure tussen de oorspronkelijke afzender en de papieren vervoerder is vastgesteld dat deze feitelijke (naar Nederlandse opvatting opvolgende) vervoerder ‘grob fahrlässig’ heeft gehandeld (art. 39 lid 1 CMR). Voorwaarde is wel dat die feitelijke opvolgende vervoerder in de gelegenheid is gesteld zich in de hoofdprocedure te voegen of tussen te komen. Het pijnpunt voor die opvolgende vervoerder zit hem erin dat als hij zich in Duitsland meldt, hij daar uiteindelijk onbeperkt aansprakelijk zal zijn. En als hij zich niet in Duitsland meldt maar wel in de gelegenheid is gesteld zich in Duitsland te voegen of tussen te komen, wordt hij in Nederland alsnog door de regres nemende vervoerder volledig ‘geschoren’ hoewel hij volgens Nederlandse opvatting wel een beroep op de CMR-limiet had kunnen doen.

De enige goede manier voor de feitelijke opvolgende vervoerder om aan deze onbeperkte aansprakelijkheid te ontkomen is dat hij in zijn vervoerovereenkomst met de papieren vervoerder de onderlinge regresregeling van art. 37 en 38 CMR uitsluit. Art. 40 CMR laat dat met zoveel woorden toe. Het is de vraag of het maken van een dergelijke afspraak in de praktijk lukt.

Een andere mogelijkheid zou kunnen zijn – ik gebruik nu weer de casus van de onderhavige zaak – dat Veldhuizen als eerste in Nederland een verklaring voor recht procedure begint tegen alle bovenliggende partijen en de Nederlandse rechter laat vaststellen dat Veldhuizen als opvolgend vervoerder slechts beperkt aansprakelijk is. Maar of dat Veldhuizen echt zal helpen blijft een open vraag. Want niets belet Trans-O-Flex om toch in Duitsland tegen Beurskens te gaan procederen en aldaar wordt Veldhuizen in de gelegenheid gesteld zich te voegen of tussen te komen. Kan Veldhuizen, die nadien door Beurskens in Nederland wordt aangesproken voor de volledige schadevergoeding, in de nog steeds lopende verklaring voor recht procedure zeggen dat het principe van art. 39 lid 1 CMR (onbeperkte aansprakelijkheid) jegens hem niet mag worden toegepast omdat hij volgens Nederlandse opvatting slechts beperkt aansprakelijk is? Ik weet het niet en dat zullen de advocaten ongetwijfeld nog gaan uitvechten.

6. Conclusie

Bij CMR-vervoer van dure spullen naar Duitsland waarbij die spullen gestolen worden, moet de ladingbelanghebbende zo spoedig mogelijk in Duitsland tegen de papieren vervoerder gaan procederen en onbeperkte aansprakelijkheid van die papieren vervoerder laten vaststellen; in die Duitse procedure moet wel de feitelijke (volgens Nederlandse opvatting opvolgende) vervoerder in de gelegenheid worden gesteld zich te voegen of tussen te komen. Vervolgens kan die papieren vervoerder voor het volledige schadebedrag in Nederland regres nemen op die feitelijke opvolgende vervoerder. Die opvolgende vervoerder is dan evenzeer onbeperkt aansprakelijk (art. 39 lid 1 CMR). Het is een open vraag of die feitelijke opvolgende vervoerder zich kan redden (toch beperkt aansprakelijk) door als eerste in Nederland een verklaring voor recht procedure te beginnen tegen alle bovenliggende partijen om te laten vaststellen dat hij ‘slechts’ beperkt aansprakelijk is.

Het enige dat echt helpt is dat deze feitelijke opvolgende vervoerder met zijn papieren vervoerder overeenkomt dat de regresregeling van art. 37 en 38 CMR in hun verhouding wordt uitgesloten. Of dat in de praktijk lukt is ook maar de vraag.

Voetnoten

1 Hoge Raad 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2528, RvdW 2015, 955.

2 C.P. ten Bruggencate, ‘Opvolgend vervoer’, SVA-syllabus 2012, par. 2.2, p. 41.

3 M.H. Claringbould, ‘Uit de praktijk gegrepen; de theorie verklaard’, SVA-syllabus 2008, par. 1.7, p. 38.

4 Conclusie van de Advocaat-Generaal 22 mei 2015, ECLI:NL:PHR:2015:691

5 Bundesgerichtshof 19 april 2007, TranspR 10-2007, p. 416, sub 19.

6 Ingo Koller, ‘Transportrecht’, 2013, Art. 34 CMR Rn. 4.

7 K.F. Haak, ‘Pleidooi voor revisie CMR’, TVR 2011-3, p. 111-112; terecht noemt Haak de uitwerking van de regeling allesbehalve praktisch.

8 M.H. Claringbould, ‘Uit de praktijk gegrepen; de theorie verklaard’, SVA-syllabus 2008, par. 1.7, p. 33-39; ik ben van mening dat historisch gezien (de bedoeling van de verdragsopstellers) de enge uitleg voor de hand ligt, maar op praktische gronden (zie met name het hierboven onder (ii) genoemde argument) kies ik uiteindelijk voor de ruime uitleg.

9 B.S. Janssen, ‘CMR en opvolgend vervoer, Een reactie op K.F. Haak, ‘Pleidooi voor revisie CMR’, TVR 2011-6, p. 210-211.

10 C.P. ten Bruggencate, ‘Opvolgend vervoer’, SVA-syllabus 2012, par. 2-3, p. 40-44; zij bespreekt kritisch het vonnis van de Rechtbank Utrecht in onderhavige zaak.

11 Ik laat de bevoegdheidsprocedure (Rechtbank Utrecht 26 juli 2006, ECLI:NL:RBUTR:2006:AY5196, S&S 2007/88) tussen Beurskens en Trans-O-Flex onbesproken nu dit voor de onderhavige zaak niet meer relevant is.

12 Rechtbank Utrecht 22 december 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BP0791, S&S 2011/117.

13 Hof Amsterdam 4 maart 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1247.