arrow close icon-chevron-left icon-chevron-right icon-twitter icon-facebook icon-linkedin icon-zoom icon-trash icon-user icon-cart icon-search icon-chat
Vervoerrecht

Nogmaals opvolgend vervoer

1.    Inleiding

In Weg en Wagen is regelmatig geschreven over opvolgend vervoer. Ik deed dat uitgebreid in W&W, nov. 2015, nr. 77 onder de titel ‘Opvolgend vervoer: de Hoge Raad kiest voor ruime uitleg’. Dit was naar aanleiding van het arrest ‘Beurskens/Veldhuizen’.1 De Hoge Raad heeft toen beslist dat er sprake is van opvolgend vervoer indien de eerste vervoerder en de tweede vervoerder uitsluitend ‘papieren’ vervoerder zijn en de feitelijke vervoerder die het transport in zijn geheel uitvoert de goederen en de vrachtbrief in ontvangst neemt van de oorspronkelijke afzender. Die feitelijke vervoerder wordt dan als ‘opvolgend vervoerder’ in de zin van art. 34 CMR aangemerkt. Wat het voordeel of het nadeel van het zijn van opvolgend vervoerder is, wordt hierna uitgewerkt. Maar ondanks dit duidelijke arrest van de Hoge Raad over opvolgend vervoer, bleef er nog een vraagpunt over. Kort gezegd: kan een papieren vervoerder, die zelf de opvolgend vervoerder (tevens de dief) heeft ingeschakeld, met gebruikmaking van de opvolgend vervoerregeling van art. 38 CMR regres nemen op zijn afzender tevens eerste papieren vervoerder? Op die vraag heeft de Rechtbank Rotterdam nu een antwoord gegeven.2 

2.    Nog even de opvolgend vervoerregeling van de CMR

Schema’s van de partijen maken het allemaal wat duidelijker.
 

Schema opvolgend vervoer

De opvolgend vervoerregeling van de art. 34-40 CMR bepaalt kort gezegd het volgende:

2.1   Artikel 34 CMR 

Als de feitelijke vervoerder (hij die daadwerkelijk rijdt) de goederen én de CMR-vrachtbrief van de oorspronkelijke vervoerder in ontvangst neemt, wordt deze feitelijke vervoerder aangemerkt als opvolgend vervoerder (art. 34 CMR). Het hoeft dus niet te gaan om ‘estafette vervoer’3  in die zin dat vervoerder 1 een stuk rijdt, vervolgens vervoerder 2 en tenslotte de feitelijke vervoerder het laatste gedeelte van het traject rijdt; dit is de enige uitleg van art. 34 CMR. Overigens als elk van de vervoerders een gedeelte rijdt, is er zeker sprake van opvolgend vervoer maar dat is volgens de Hoge Raad ook het geval als de feitelijke vervoerder het gehele traject rijdt mits hij de goederen én de CMR-vrachtbrief in ontvangst neemt van de oorspronkelijke afzender.

2.2    Artikel 36 CMR

Als er sprake is van opvolgend vervoer kan de ladingbelanghebbende zijn ladingclaim instellen tegen de papieren vervoerder 1 (immers zijn contractuele vervoerder) én tegen de feitelijke vervoerder die tevens opvolgend vervoerder is (art. 36 CMR). Die opvolgend vervoerder wordt als het ware contractspartij bij de oorspronkelijke vervoerovereenkomst. De ladingbelanghebbende hoeft deze feitelijke en opvolgend vervoerder niet aan te spreken op grond van onrechtmatige daad. De ladingbelanghebbende krijgt er een contractuele debiteur bij. 

2.3    Artikel 39 CMR

Maar de opvolgend vervoerregeling biedt ook een voordeel voor de vervoerders. Het gaat met name om de regresregeling van art. 39 CMR waarover ook het arrest inzake ‘Beurskens/Veldhuizen’ gaat. 
Kort gezegd en daarom niet helemaal volledig4  werkt die regresregeling als volgt:
Wanneer vervoerder 1 regres neemt op de feitelijke en opvolgend vervoerder voor hetgeen hij onder de oorspronkelijke vervoerovereenkomst verschuldigd is aan de ladingbelanghebbende, mag die opvolgend vervoerder de gegrondheid van het gevorderde bedrag niet meer betwisten als de schadevergoeding bij rechterlijke uitspraak is vastgesteld in de procedure tussen de oorspronkelijke afzender en vervoerder 1. Maar dan moet wel zijn voldaan aan de voorwaarde dat die opvolgend vervoerder van het oorspronkelijke rechtsgeding in kennis is gesteld en hij gelegenheid heeft gehad zich in die oorspronkelijke procedure te voegen of tussen te komen. 
Het gaat dan als volgt. Vervoerder 1 wordt in de oorspronkelijke procedure tussen hem en de oorspronkelijke afzender veroordeeld tot vergoeding van de ladingschade. De opvolgend vervoerder heeft zich niet gevoegd of is niet tussen gekomen in die oorspronkelijke procedure. Vervolgens neemt vervoerder 1 regres op de opvolgend vervoerder. In dat geval – en daar gaat het om! – mag de aldus aangesproken opvolgend vervoerder de gegrondheid van de betaling van de schadevergoeding door vervoerder 1 niet meer betwisten.
Als in die oorspronkelijke procedure, die in Duitsland wordt gevoerd, vervoerder 1 ‘ongelimiteerd’ aansprakelijk is (immers doorbreking van de limiet gebeurt al gauw in Duitsland), en vervolgens vervoerder 1 regres neemt op de opvolgend vervoerder in Nederland, dan mag die opvolgend vervoerder (die zich in Duitsland had kunnen voegen maar dat begrijpelijker wijze niet heeft gedaan; daar zou hij immers ‘ongelimiteerd’ aansprakelijk zijn) in de Nederlandse regresprocedure niet meer aanvoeren dat hij naar Nederlandse maatstaven ‘gelimiteerd’ aansprakelijk zou zijn geweest.

2.4    Artikel 37 CMR

Maar de opvolgend vervoerregeling biedt nog een voordeel voor de vervoerder. 
Art. 37 CMR gaat over het recht van verhaal van de vervoerder op de opvolgend vervoerder. Stel dat papieren vervoerder 1 de ladingschade heeft vergoed aan de oorspronkelijke afzender. Die vervoerder 1 wil dan, als afzender, regres nemen op zijn contractuele vervoerders, in ons voorbeeld de papieren vervoerder 2. Daarover gaat art. 37 CMR niet want dit is een gewone vordering wegens wanprestatie uit hoofde van de vervoerovereenkomst tussen afzender en vervoerder 2.5 
Maar art. 37 sub a CMR zegt wel dat die vervoerder 1 een recht van verhaal heeft voor deze ladingclaim tegen de feitelijke en opvolgend vervoerder. Op die manier krijgt deze afzender tevens papieren vervoerder er een debiteur bij. 
En art. 37 sub b CMR voegt daar nog aan toe dat wanneer de schade is veroorzaakt door twee of meer vervoerders, ieder van hen een bedrag moet betalen in verhouding tot zijn deel van de aansprakelijkheid. In dat geval moet het wel gaan om ‘estafette vervoer’; die vervoerders moeten dan beiden feitelijk én opvolgend vervoerder zijn. 
Behoorlijk ingewikkeld allemaal en in de praktijk komt het zelden voor dat er én sprake is van estafette vervoer én dat de schade door meer vervoerders is veroorzaakt. Immers bij een diefstal van een parkeerplaats is de schade in principe veroorzaakt door de vervoerder wiens wagen op de parkeerplaats stond. Alleen die vervoerder moet de schade vergoeden.

2.5    Artikel 38 CMR

Maar hoe zit het nu als één van de vervoerders uit de keten failliet is? Wie moet dan de ladingschade betalen? Art. 38 CMR bepaalt:
“Indien één van de vervoerders insolvent6  is, wordt het door hem verschuldigde deel, dat hij niet heeft betaald, tussen alle andere vervoerders verdeeld in verhouding tot hun beloning”.
Dit art. 38 CMR speelt de hoofdrol in de hierna te bespreken zaak van de Rechtbank Rotterdam.

3.    Het vonnis van de Rechtbank Rotterdam7 

Allereerst maar weer het ‘plaatje’:
 

Plaatje opvolgend vervoerders

Steinweg is de vaste vervoerder voor Alcoa voor het vervoer van diens aluminium producten. Deze keer gaat het om CMR-vervoer van drie zendingen aluminium coilrods van Rotterdam naar Dour-Elouges (België). Alcoa als oorspronkelijke afzender geeft daartoe opdracht aan Steinweg. Steinweg rijdt niet zelf en is dus ‘papieren’ of contractuele vervoerder jegens Alcoa. Steinweg, nu in zijn hoedanigheid van afzender, draagt het vervoer op aan Exsan.
Ook Exsan treedt slechts op als contractuele papieren vervoerder en zij besteedt het vervoer uit aan de Belgische SOS-Transport vennootschap (hierna: ‘SOS’). Deze vennootschap bleek te bestaan uit twee dieven, die de drie zendingen aluminium coilrods hebben gestolen; zij zijn later strafrechtelijk veroordeeld. De waarde van deze lading was € 145.605,-. 
U begrijpt dat bij SOS niets is te halen; SOS is failliet.

Alcoa verlangt schadevergoeding van Steinweg, te weten een bedrag van € 145.605,-. Steinweg start een procedure tegen Exsan en vordert dat bedrag van € 145.605,-. In feite vordert Steinweg € 122.509,- omdat Steinweg de door haar aan Exsan verschuldigde vracht van € 23.096,- verrekent, maar die kwestie laat ik hier terzijde. Het gaat dus om € 145.605,-.

Dan komt dat art. 38 CMR als hierboven aangehaald om de hoek kijken. Dat artikel is immers van toepassing bij opvolgend vervoer. Vast staat dat SOS hier als opvolgend vervoerder is opgetreden nu zij de zendingen aluminium plus de CMR-vrachtbrief van Steinweg in ontvangst heeft genomen. Dat is immers de uitkomst van het Hoge Raad-arrest inzake ‘Beurskens/Veldhuizen’ dat de ruime uitleg hanteert.

3.1    Verweer van Exsan 

Nu SOS opvolgend vervoerder en tevens failliet is, voert Exsan als verweer tegen de vordering van Steinweg dat Exsan zich kan beroepen op de regeling van art. 38 CMR. Exsan stelt zich op het standpunt dat indien één van de vervoerders failliet is (hier de opvolgend vervoerder SOS),  het door hem (SOS) verschuldigde bedrag (€ 145.605,-), dat hij niet heeft betaald, tussen alle andere vervoerders (hier Exsan en Steinweg) wordt verdeeld in verhouding tot hun beloning.
Exsan gaat er vanuit dat de beloningen van Steinweg en Exsan even hoog waren. Dat betekent een verdeling van 50%-50% en aldus dient de helft van de vordering van Steinweg, te weten een bedrag van € 72.802,50, voor rekening van Steinweg te blijven.

3.2    Betwisting door Steinweg

Steinweg betwist dat zij opvolgend vervoerder is; zij heeft immers het vervoer niet feitelijk uitgevoerd en de goederen niet in ontvangst genomen.
Meer in het bijzonder betwist Steinweg dat Exsan een beroep toekomt op art. 38 CMR. Een niet opvolgend vervoerder (hier: Exsan) kan de opvolgende vervoerregeling niet tegenwerpen aan een partij hoger in de vervoersketen (hier: Steinweg, eveneens een niet opvolgend vervoerder).

3.3    De rechtbank

De vraag in de onderhavige zaak is of Exsan als ‘papieren’ niet opvolgend vervoerder art. 38 CMR uit de opvolgend vervoerregeling kan tegenwerpen aan haar contractuele wederpartij hoger in de keten, te weten Steinweg.

De rechtbank begint met de vaststelling dat dit een kwestie van uitleg van de CMR is en volgens art. 31 en 32 van het Verdrag van Wenen (deze artikelen gaan erover hoe je teksten van verdragen moet uitleggen) moet je dan ook kijken naar de heersende opvatting van de rechtspraak en literatuur van de CMR-Verdragslanden.
De rechtbank vervolgt met de opmerking dat het doel van de opvolgend vervoerregeling is de versterking van de verhaalsmogelijkheden van de ladingbelanghebbenden en de verhaal zoekende vervoerder. De rechtbank geeft kort weer wat de betekenis is van de artikelen 34, 36, 37 en 39 CMR. Dit heb ik beschreven in par. 2. Steinweg neemt hier regres op de papieren niet opvolgend vervoerder Exsan. Bij regres op een papieren vervoerder is art. 37 CMR niet van toepassing.

Exsan beroept zich nog op het ‘Beurskens/Veldhuizen’-arrest. Daarover zegt de rechtbank dat Exsan zich in het geval zij regres neemt op SOS – net als Beurskens in voormeld arrest – tegenover SOS zou kunnen beroepen op art. 39 CMR. SOS zou in dat geval de vordering van Exsan niet meer mogen betwisten; zie par. 2.3.
Maar toepassing van het arrest ‘Beurskens/Veldhuizen’ brengt niet mee dat Exsan zich tegenover haar afzender Steinweg kan beroepen op art. 38 CMR. Art. 38 CMR is geschreven voor het geval één van de vervoerders insolvent is. SOS is weliswaar failliet maar niet is gebleken dat SOS (als opvolgend vervoerder, zo voeg ik eraan toe) op grond van art. 37 CMR is aangesproken en zij ‘het door haar (SOS) verschuldigde deel’ (als bedoeld in art. 38 CMR) door dat faillissement niet heeft betaald.

De rechtbank legt het nog eens uit (r.o. 4.14).
In deze zaak staat vast dat Exsan geen opvolgend vervoerder is.
Het doel van de opvolgend vervoerregeling is versterking van de verhaalsmogelijkheden van de ladingbelanghebbenden en de verhaalzoekende vervoerders. De verhaalzoekende vervoerder is de vervoerder die de schade aan de ladingbelanghebbende heeft vergoed. Dat heeft Exsan echter niet gedaan. Art. 38 CMR is er niet op gericht om in dit geval bescherming te bieden aan Exsan. De rechtbank voegt hieraan toe dat art. 38 CMR de ladingbelanghebbende beschermt tegen het faillissement van een van de opvolgend vervoerders. Art. 38 CMR beschermt de papieren vervoerder niet tegen opzet van haar ondervervoerder (hier: de ‘dief’ SOS). Derhalve wijst de rechtbank de vordering van Steinweg jegens Exsan in zijn geheel toe aan Steinweg; deze ladingschade wordt dus niet verdeeld tussen Steinweg en Exsan. 

4.    Art. 38 CMR alleen van toepassing bij estafette vervoer

Dit alles betekent dat de verdeling van schadevergoeding (de ladingclaim) alleen kan worden ingeroepen door een vervoerder die zelf opvolgend vervoerder is. Wanneer Exsan zelf een deel van het traject zou hebben gereden en dus opvolgend vervoerder was, dan wordt bij faillissement van SOS (tevens dief en opvolgend vervoerder) de ladingschade wel verdeeld tussen Exsan en Steinweg. Diezelfde schadeverdeling zou worden toegepast als opvolgend vervoerder Exsan failliet gaat én hij door zijn toedoen de schade (mede) heeft veroorzaakt én hij het door hem verschuldigde deel niet heeft betaald. In dat geval wordt die door Exsan niet betaalde schadevergoeding verdeeld tussen SOS en Steinweg in verhouding tot hun beloning. 

Allemaal pure theorie. Dit soort situaties komt in de praktijk eigenlijk niet voor en over boven weergegeven casus van estafette vervoer kan ik geen jurisprudentie vinden.

5.    Conclusie

De hele opvolgend vervoerregeling van de artikelen 34-40 CMR is bij de totstandkoming van de CMR in 1956 overgenomen van het spoorvervoer. Het spoorvervoer kende een dergelijke ‘verhaalsregeling’ vanaf het begin (1890!) toen een locomotief tot de landgrens reed en bij de grens een andere locomotief aankoppelde. Dat was dus echt opvolgend vervoer en daarvoor was die ingewikkelde regeling ook geschreven.

In 1956 zal er voor het wegvervoer ook nog wel echt opvolgend vervoer (estafette vervoer) hebben plaatsgevonden, maar nu – zestig jaar later – is dat veel minder het geval. Maar door de ruime uitleg van art. 34 CMR door de Hoge Raad is er in de praktijk nog heel vaak sprake van opvolgend vervoer, namelijk wanneer de feitelijke vervoerder de goederen én de CMR-vrachtbrief van de oorspronkelijke afzender in ontvangst neemt.

Dat betekent ook dat we goed moeten bekijken in hoeverre die regeling betreffende het regres tussen de vervoerders (artikelen 37-39 CMR) toch van toepassing is wanneer er geen sprake is van estafette vervoer.
In ‘Beurskens/Veldhuizen’ heeft de Hoge Raad bepaald dat dat de feitelijke opvolgend vervoerder, wanneer hij door de papieren vervoerder wordt aangesproken, wordt ‘getroffen’ door art. 39 CMR; hij moet het bedrag betalen waartoe die papieren vervoerder is veroordeeld. 
Overigens is dat recht van verhaal van de papieren vervoerder tegen de opvolgend vervoerder gebaseerd op art. 37 sub a CMR.
Maar wanneer de schade is veroorzaakt door twee of meer vervoerders (art. 37 sub b en c CMR) kan de verdeling van de schadevergoeding alleen worden toegepast bij estafette vervoer. 

En tot slot heeft de Rechtbank Rotterdam bepaald dat de papieren vervoerder geen beroep toekomt op de regeling van art. 38 CMR ten opzichte van zijn ‘hoger in de vervoersketen gelegen’ afzender tevens papieren vervoerder. Die schadeverdeling bij insolventie van één der vervoerders van art. 38 CMR geldt alleen bij estafette vervoer.

Mijn slotconclusie is: die hele opvolgend vervoersregeling van de artikelen 34-40 CMR hadden de opstellers van de CMR nooit moeten overnemen van het spoorvervoer. Die opvolgend  vervoerregeling hoort in de CMR niet thuis!8 
 

Voetnoten

  1. Hoge Raad 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2528, S&S 2016/1, ‘Beurskens/Veldhuizen’.
  2. Rechtbank Rotterdam 19 juni 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:5108.
  3. Deze term ‘estafette vervoer’ is voor het eerst gebruikt door C. ten Bruggencate, ‘Opvolgend vervoer’, Syllabus SVA-congres 2012, p. 39.
  4. Meer in detail is mijn artikel in W&W nov. 2015, nr. 77.
  5. Zie ook Rechtbank Den Haag, 21 februari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:2164, S&S 2018/90.
  6. Art. 38 gebruikt de term ‘insolvent’ maar in de praktijk komt dat neer op het faillissement van de vervoerder. 
  7. Rechtbank Rotterdam 19 juni 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:5108.
  8. Zie ook K.F. Haak, ‘Pleidooi voor revisie CMR’, TVR 2011-3, p. 111, die vindt dat deze formalistische regeling als kiespijn kan worden gemist.