arrow close icon-chevron-left icon-chevron-right icon-twitter icon-facebook icon-linkedin icon-zoom icon-trash icon-user icon-cart icon-search icon-chat
Douane Certificaat van oorsprong, Douane-management

Labyrint van Oorsprong

Voor het bepalen van het invoertarief is de oorsprong van een product cruciaal. Er bestaat geen universele methode om de oorsprong vast te stellen. In dit artikel een overzicht van de meest gangbare methodes. Bovendien aandacht voor het op de juiste wijze aanvragen van Certificaten van Oorsprong en EUR1. Tenslotte worden tips gegeven, hoe het douanemanagement onderdeel van het bedrijfsproces te maken.

Introductie

Het paspoort van een product oftewel het bepalen van het land van oorsprong lijkt belangrijker dan ooit. De niet-preferentiële oorsprong is door de vele handelsmaatregelen van o.a. VS, China en de EU nadrukkelijk op de voorgrond getreden. Zo kan assemblage in de EU van bepaalde producten met Chinese componenten tot de nodige serieuze tariefconsequenties (+25% aan douaneheffingen) leiden bij invoer in de VS. In 1994 zijn de leden van de Wereld Handels Organisatie (hierna: WHO) het eens geworden, dat ze het eens gaan worden over niet-preferentiële oorsprong. Het gebrek aan dit soort globale harmonisatie van de niet-preferentiële regels van oorsprong maakt het voor bedrijven een lastig en soms onvoorspelbare omgeving om in te functioneren.

Daarnaast is ook de preferentiële oorsprong van producten in belang toegenomen. Door het falen van de WHO om tot integrale multilaterale tarief-concessies te komen in het laatste decennium van de vorige eeuw, hebben veel landen en handelsblokken besloten het maatwerkinstrument van een vrijhandelsakkoord of de uitgebreidere versie van economisch partnerschapsakkoord te gebruiken. Vanuit EU perspectief zijn daar de recente EU- Canada en EU- Japan (JEFTA) handelsovereenkomsten in het oog springende voorbeelden van. De EU heeft meer dan vijfendertig verschillende handelsakkoorden, die helaas niet allemaal dezelfde regels van oorsprong kennen. Kortom ook hier geen eenduidige regelgeving.

Methodes van oorsprongsbepaling

Met betrekking tot het vaststellen waar goederen die niet geheel en al zijn verkregen in één land hun laatste ingrijpende ver- of bewerking ondergingen, kunnen binnen alle oorsprongsregels de volgende drie methodes worden onderkend:

  • Tariefpost verspringing (Geharmoniseerd Systeem (GS) code)
  • Waardetoevoeging als percentage van het eindproduct
  • Productieproces of specifieke be-of verwerking

Deze methodes zijn belangrijke en wettelijke hulpmiddelen om de laatste ingrijpende ver- of bewerking te objectiveren. De tariefpostverspringing houdt in dat goederen voldoende bewerking ondergaan om van de ene  tariefpost naar een andere tariefpost te gaan. Bijvoorbeeld roestvrij staal in ingots of in andere primaire vormen van tariefpost 7218 wordt verwerkt naar lepels, vorken, pollepels etc. van tariefpost 8215. De waardetoevoeging methode is een berekening waarbij op basis van de Ex-Works (EXW) verkoopprijs een percentage van de waardetoevoeging wordt uitgedrukt (of het spiegelbeeld; de niet-preferentiële materialen worden uitgedrukt in een percentage van de Ex-Works (EXW) verkoopprijs). Bijvoorbeeld de Ex-Works (EXW verkoopprijs) van een televisie is €500. De niet-preferentiële materialen zijn €100. Het percentage van niet-preferentiële materialen is dus 20 procent. In geval van een preferentiële regel van oorsprong die toestaat om 25% niet-preferentiële materialen te gebruiken voldoe je dus aan het criterium. Een productieproces of specifieke bewerking kan bijvoorbeeld het frezen of vormen zijn van staaflijst van hout voor meubelen en binnenhuisversiering van tariefpost 4410  zijn.

De definitie in de EU van niet-preferentiële oorsprong vinden we deze terug in de gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446, bijlage 22-01 en voor EU preferentiële oorsprong in het oorsprongsprotocol van het betreffende vrijhandelsakkoord.

 Toch hebben genoemde methodes ook hun beperkingen. Zo is het Geharmoniseerd Systeem (GS) nooit ontwikkeld voor het vaststellen van oorsprong, wat kan betekenen dat met een zeer beperkte bewerking (maar met meer dan de minimale bewerking) toch oorsprong kan worden bewerkstelligd door middel van tariefpost verspringing. De methode van waardetoevoeging lijkt wat dat betreft beter geschikt, maar ook deze methode heeft zijn beperkingen door de invloed van wisselkoersen of het kunstmatig ophogen van de Ex-Works (EXW) verkoopprijs (in geval van een inter-company verkoop). Het beschrijven van een productieproces of specifieke bewerking lijkt wat dat betreft een stabielere methode voor het bepalen van de oorsprong. Dit verondersteld  , dat het productieproces dat hieraan ten grondslag ligt, niet aan verandering onderhevig is.

In het vervolg van dit artikel zal specifiek worden gekeken naar de beschrijving van een productieproces voor niet-preferentiële en preferentiële doeleinden. Hoe het bij een aanvraag voor een certificaat van oorsprong beschreven wordt en hoe het werkt in geval van een productieproces oorsprongsregel.

Aanvraag Certificaat van Oorsprong (CvO)

In geval van eigen productie kan de niet-preferentiële oorsprong worden bevestigd bij de Kamer van Koophandel (KvK) onder meer door middel van een productieverklaring bij de aanvraag.

In de productieverklaring wordt de volgende informatie vermeld:

  • in welke plaats wordt het product vervaardigd;
  • welke producten zijn in de eigen onderneming vervaardigd;
  • de goederencodes van deze producten;
  • de grondstoffen, materialen en/of ingrediënten die worden gebruikt bij de vervaardiging;
  • welke productiehandelingen in eigen bedrijf worden verricht om tot het eindproduct te komen;
  • of productiehandelingen uitbesteed worden aan andere (Nederlandse) bedrijven en welke dat zijn.

Het doeleinde van deze productieverklaring is om het in de WTO overeengekomen principe dat ook verder is gecodificeerd in Douane Wetboek van de Unie (DWU) art. 60 lid 2, te toetsen:

“Goederen bij de vervaardiging waarvan meer dan één land of gebied betrokken is, worden geacht van oorsprong te zijn uit het land of gebied waar, in een daartoe ingerichte onderneming, de laatste ingrijpende, economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricage stadium vertegenwoordigt.”

Het is raadzaam om de beschrijving van het productieproces, indien mogelijk, zoveel mogelijke te abstraheren om overtollige details te vermijden. Kortom, alleen de essentiële stappen van de fabricage stadia benoemen die tussen startmateriaal en eindproduct plaatsvinden. Bijvoorbeeld het stage in een productieproces van antiroestbehandeling kan bestaan uit verschillende baden en lagen poedercoating. Het hoeft dan niet noodzakelijk te zijn al die kleine stappen in detail te beschrijven.  

Afhankelijk van de frequentie van het aanvragen van Certificaten van Oorsprong, is het aan te bevelen om binnen een bedrijf een analyse te maken op een hoger aggregatieniveau, bijvoorbeeld op productcategorie of op GS code, zolang de essentiële productiestappen hetzelfde blijven. Het maakt bijvoorbeeld niet uit of het eindproduct rood of blauw gekleurd is, maar wel of de productiestap verfspuiten is toegepast. Op deze manier is het aantal beschrijvingen en/of productiestappen in het productieproces te beperken en daarmee beter beheersbaar.

Daarnaast is de eerder genoemde gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446, bijlage 22-01 relevant, aangezien deze een groot aantal Geharmoniseerd Systeem (GS) hoofdstukken van concreet toetsbare criteria voorziet. Dit sluit de mogelijkheid niet uit, om daar waar de handelsvoorschriften zulks vereisen, een document tot bewijs van de oorsprong in de Unie af te geven conform de oorsprongsregels die van kracht zijn in het land of het gebied van bestemming (DWU art. 61 lid 3). Bijvoorbeeld, als een bedrijf naar de Verenigde Staten van Amerika (VS) exporteert, dan zal in dat geval de van toepassing zijnde oorsprongsregel van de VS voor dat specifieke product worden getoetst.

De vereenvoudigde authenticatie die door de Kamer van Koophandel wordt aangeboden maakt het ook mogelijk om standaard aanvragen voor te bereiden per productcategorie of GS code, in de wetenschap dat de individuele producten aan de eisen voldoen. Deze laatste producten moeten wel genoemd worden op het Certificaat van Oorsprong.

Een goede analyse van de relevante GS codes, de oorsprongsregels, het productieproces en de exportmarkten is een vereiste om de verkrijging van ’Certificaten van Oorsprong en de bepaling van het land van oorsprong te integreren en te optimaliseren in het export management systeem. De sleutel is om ‘oorsprong’ in een vroeg stadium van het productieproces te verifiëren en te registreren.

Bij Beurtvaartadres zijn formulieren verkrijgbaar die gebruikt kunnen worden als 'Certificaat van Oorsprong'.

Aanvraag EUR1

In het geval van een export naar een land waarmee de EU een vrijhandelsakkoord heeft kan een EUR1 worden aangevraagd. Ook in het geval van een aanvraag voor EUR.1 wordt een productieverklaring gevraagd, vaak in combinatie met een kostprijscalculatie. Het een en ander is afhankelijk van de specifieke oorsprongsregels in het betreffende oorsprongsprotocol van het betreffende vrijhandelsakkoord.

In geval van aanvragen bij de Kamer van Koophandel zijn de eerder genoemde overwegingen met betrekking tot de beschrijving van het productieproces van toepassing. Voor bepaalde producten zijn in de oorsprongsprotocollen procesbeschrijvingen als oorsprong verkrijgend benoemd. Bijvoorbeeld voor het produceren van “chips” of “integrated circuits” is het semiconductor proces diffusie (op bijvoorbeeld niet-preferentiële grondstof/materiaal silicium) bepalend. Licht gechargeerd betekent dit, dat alle niet-preferentiële materialen die de semiconductor fabriek binnenkomen en het diffusie proces doorlopen, als producten van preferentiële oorsprong kunnen worden beschouwd. Voor een bedrijf is het administratief relatief gemakkelijk om te waarborgen dat de preferentiële oorsprong van de producten correct wordt bepaald; zelfs 100% niet-preferentiële materialen die het proces doorlopen resulteren in een product met preferentiële status.

Voor de methodes van “tariefpost verspringing” of van “waarde toevoeging” is er een ander beeld. Hierbij moeten voor binnen de EU betrokken materialen leveranciersverklaringen worden verkregen. Daarnaast ook moet je eventuele verkrijging aantonen door EUR-factuurverklaringen of EUR-certificaten voor materialen van buiten de EU, maar binnen het betreffende vrijhandelsgebied. Evenzeer de classificatie, prijzen en/of douanewaarde van de materialen. Om het geheel af te ronden met beoordeling van tariefverspringing of een waardetoevoeging berekening.

Voor de betreffende methodes is het ook belangrijk om bij iedere materiaal verwervingsbeslissing het oorsprong aspect te wegen. Een minimale besparing op de inkoopprijs van een (niet-preferentieel) materiaal kan de uiteindelijke marktpropositie van een (export) product nadelig beïnvloeden, door het niet langer kunnen claimen van een preferentieel tarief in het land van import.

In het geval dat een bedrijf veel exporten heeft met preferentiële goederen met een waarde boven €6000 per factuur, is het een overweging om geregistreerde exporteur (REX voor EPA’s  economische partnerschapsakkoorden EU-Canada en EU-Japan) te worden of een vergunning toegelaten exporteur (voor overige vrijhandelsakkoorden) te verkrijgen. Deze exporteurs statussen maken het mogelijk om aan zelfcertificatie te doen, door gebruik te maken van een factuurverklaring; een bedrijf hoeft niet meer per transactie via de KvK gecertificeerd te worden. In veel ERP systemen wordt deze functionaliteit standaard geboden.

Om te waarborgen dat de factuurverklaringen correct worden afgegeven, dient een grondige analyse plaats te vinden, van welke goederen (GS code) naar welke EU partnerlanden (Vrijhandelsakkoord partnerland) worden geëxporteerd,  om vast te stellen welke oorsprongsregels (protocollen) van toepassing zijn. Na toepassing van de oorsprongsregel  zal het preferentiële land van oorsprong vastgelegd moeten worden in het ERP systeem. Het is niet uit te sluiten dat een product niet aan de oorsprongsregels van alle protocollen voldoet (bijv. wel voor Japan maar niet voor Zwitserland). Dit is in sommige systeemomgevingen niet te registeren en dat betekent dat oplossingen in procedures en separate registratie gevonden moeten worden. De sleutel is ook hier om oorsprong in een vroeg stadium te verifiëren en te registreren.

Uitdaging voor export management

Zoals vermeld is in de introductie, zijn er geen geharmoniseerde, niet-preferentiële regels van oorsprong. Daarnaast heeft de EU meer dan vijfendertig verschillende handelsakkoorden met soms verschillende regels van preferentiële oorsprong voor eenzelfde goed. Deze lappendeken van regelgeving is niet eenvoudig te beheersen.

Het productieproces als oorsprongcriterium is in veel gevallen eenvoudiger toe te passen dan de “tariefpost verspringing” of de “waardetoevoeging berekening”. Desalniettemin moet je pragmatische oplossingen zoeken voor een goed export management systeem. Het aggregeren van oorsprong relevante data (bijvoorbeeld stuklijsten die voor 80% uit dezelfde onderdelen bestaan of strategische componenten die de hoogste waarde vertegenwoordigen) , voor zover de oorsprongsregels dit toestaan, is cruciaal voor het vereenvoudigen van werkwijzen en efficiënt registreren van land van oorsprong en het aanvragen van CvO of EUR.1 (of afgeven factuurverklaringen).

De uitdaging is om administratief de verschillende landen van oorsprong te kunnen registreren; sommige ERP (Enterprise Resource Planning) systemen zijn hiervoor nog niet voldoende ingericht. De Douane bereidt zich inmiddels wel voor om in AGS4/DMS meerdere landen van oorsprong in de aangifte te kunnen vermelden.

Een administratieve oplossing die soms gekozen wordt is om een ander artikelnummer af te geven indien een ander land van oorsprong van toepassing is voor hetzelfde product. Of de combinatie van artikelnummer en land van oorsprong wordt uniek gemaakt in een systeem.

Maar dit levert af en toe weer complicaties op met materiaalplanners of verkoopplanners in de organisatie. Een niet geliefde procedure zal dan uiteindelijk weer uitkomst moeten bieden.

Conclusie

De conclusie is dat het niet eenvoudig is om eenduidige wegen te vinden in het labyrint van oorsprongsregels. Een goed export management systeem met betrekking tot oorsprong vergt grote kennis van zaken, een complex registratiesysteem gesteund door werkbare procedures, maar toch ook een goede dosis menselijke vindingrijkheid.