arrow close icon-chevron-left icon-chevron-right icon-twitter icon-facebook icon-linkedin icon-zoom icon-trash icon-user icon-cart icon-search
Verzekeringen Eigen gebrek

Eigen gebrek in het transportverzekeringsrecht

1. Het begrip “eigen gebrek”

Een goederentransportverzekering dekt het risico op schade aan de vervoerde goederen tijdens de verzekerde reis. De dekking kan zijn beperkt tot een beperkt aantal uitdrukkelijk in de polis genoemde risico’s (bijvoorbeeld brand of diefstal), maar kan ook “all risks” zijn. Maar ook bij een verzekering op all risks-basis zijn er schadeoorzaken die zijn uitgesloten van dekking. Schade als gevolg van een “eigen gebrek” van de verzekerde zaken is een voorbeeld van een veelvoorkomende uitsluiting, ook bij dekking die in beginsel als “all risks” wordt omschreven.

De uitsluiting van eigen gebrek staat in de wet, maar wordt ook vaak uitdrukkelijk in de polisvoorwaarden opgenomen.[1] De wettelijke uitsluiting in art. 7:951 BW luidt als volgt:

“De verzekeraar vergoedt geen schade aan een verzekerde zaak indien die is veroorzaakt door de aard of een gebrek van die zaak.”

De wettelijke bepaling is van aanvullend recht, zodat het partijen vrij staat om het eigen gebrek toch onder de dekking te brengen.

De tekst van de wet maakt onderscheid tussen de aard van de zaak enerzijds en een gebrek van de zaak anderzijds. Met aard van de zaak wordt bedoeld een normale eigenschap van de zaak, bijvoorbeeld de bederfelijkheid van groente of fruit. Met gebrek wordt bedoeld een eigenschap die de zaak juist niet behoort te hebben, zoals een te hoog vochtgehalte in cashewnoten. In de praktijk wordt niet altijd onderscheid gemaakt tussen deze twee verschijningsvormen en worden zij gezamenlijk aangeduid met de term “eigen gebrek”.

1.1  Behoort verpakking tot de “verzekerde zaak”?

In enkele zaken speelt de vraag of de verpakking van de goederen, en dan in het bijzonder een container, tot de verzekerde zaak behoort. Een zaak waarover tot aan de Hoge Raad is geprocedeerd, betreft het vervoer van planten van Guatemala naar Amsterdam.[2] In het verzekeringscertificaat staat vermeld dat verzekerd wordt “1 x 40 ft container nr. ROYO 470017-4 s.t.c. Dracaena Massengeana” (de Dracaena Massengeana is een tropische kamerplant). De planten komen beschadigd aan. Het hof stelt vast dat de schade is veroorzaakt doordat een koelapparaat in de container niet goed heeft gefunctioneerd. Het hof stelt bovendien vast, dat de “container met inhoud” als de verzekerde zaak moet worden beschouwd (in overeenstemming met de tekst van het certificaat). De container zelf is dus onderdeel van de verzekerde zaak en het niet goed functioneren van de koelinstallatie moet worden beschouwd als een van dekking uitgesloten eigen gebrek.

1.2  Een van buiten komende oorzaak

Steeds moet worden nagegaan of het vermeende eigen gebrek inderdaad een eigenschap van de verzekerde zaak betreft, en niet toch een van buiten komende oorzaak. In een zaak over het vervoer van vier verspeenmachines van Nederland naar de Verenigde Staten, [3] wordt de lading in opdracht van verzekeringnemer gestuwd in een door de vervoerder ter beschikking gestelde container. Tijdens het zeevervoer gaat de lading in de container schuiven. De machines komen beschadigd aan. De verzekeraar stelt zich op het standpunt dat de ondeugdelijke stuwage in de container moet worden beschouwd als een eigen gebrek. Het hof wijst het beroep op eigen gebrek af. Kern van de overwegingen van het hof is dat de ondeugdelijke stuwage niet als een gebrek van de container is te beschouwen, maar als een van buiten komende oorzaak:

“Niet is immers gesteld of gebleken dat de constructie of (slechte) toestand van de container als oorzaak van de schade kan worden aangemerkt en evenmin dat de container ongeschikt was om de betreffende machines in te vervoeren. Met de beweerdelijke ‘verpakking’ was dus, naar moet worden aangenomen, op zichzelf niets mis. Als gezegd, is het de ondeugdelijke stuwage door Cledob die als het schadeveroorzakend element moet worden beschouwd en niet enig aan de container klevend gebrek” (r.o. 10).[4]

2. Eigen gebrek niet altijd dominante oorzaak

Van dekking uitgesloten is dus schade die wordt veroorzaakt door het eigen gebrek van de verzekerde zaak. Vaak is het eigen gebrek van de goederen niet de enige factor die aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen. Steeds moet dan worden beoordeeld of het eigen gebrek de “rechtens relevante oorzaak” van de schade is. Bederft bijvoorbeeld de lading, doordat als gevolg van een schadeoorzaak die (wel) onder de dekking valt de reis abnormaal lang duurt, terwijl bij een normale duur van de reis geen bederf zou zijn opgetreden, dan is de schade niet uitgesloten op grond van een eigen gebrek van de lading.[5] Hoewel zonder de bederfelijke aard van de lading geen schade zou zijn opgetreden, is deze aard niet de rechtens relevante oorzaak. Dat is de vertraging, althans het evenement dat tot de vertraging heeft geleid. Valt dat onder de dekking, dan moet de schade worden vergoed.

De vraag hoe precies moet worden vastgesteld wat de rechtens relevante oorzaak van de schade is, is niet eenvoudig te beantwoorden. Met betrekking tot verzekeringsovereenkomsten wordt wel betoogd dat moet worden aangesloten bij de zogeheten dominant cause-leer.[6] Bij grensgevallen blijft de toepassing van deze leer ingewikkeld, maar als startpunt voldoet het gezonde verstand om de dominante schadeoorzaak te bepalen.

2.1  Niet verzekerd eigen gebrek?

Een voorbeeld ontleend aan de gepubliceerde rechtspraak betreft een zending bevroren maaltijden, die per schip wordt vervoerd van Rotterdam naar Bushire (Iran).[7] Na lossing te Bushire wordt de zending in een douaneloods zonder vriesruimte geplaatst, waardoor zij ontdooit en bederft. Verzekeraars stellen zich op het standpunt dat de schade het gevolg is van de bederfelijke aard van de lading en dus sprake is van een niet verzekerd eigen gebrek. De rechtbank oordeelt anders:

“niet is gesteld of gebleken dat de goederen bij inlading op de een of andere wijze gebrekkig waren, terwijl voorts het enkele feit dat een bepaalde wijze van opslag en vervoer (namelijk in een vriesruimte) voor goederen als de onderhavige noodzakelijk is voor het behoud ervan, niet voldoende is om in een schadegeval als het onderhavige van eigen bederf te kunnen spreken.”

Anders gezegd: niet de bederfelijkheid van de goederen is de dominante oorzaak van de schade, maar de ondeugdelijke wijze van opslag.

2.2  Causaliteitsvraag

In het kader van de causaliteitsvraag wordt vaak de vraag gesteld of de verzekerde zaak de voorgenomen reis goed zou hebben kunnen doorstaan, als het vervoer op de voor de zaak geëigende wijze was uitgevoerd en zich ook overigens geen uitzonderlijke omstandigheden zouden hebben voorgedaan. Is het antwoord bevestigend, dan is de schade niet het gevolg van een eigen gebrek.

Deze benadering is aan de orde in de zaak van de “Anna Maersk”, waar het gaat om een zending gereedschapskoffers die wordt vervoerd van China naar Rotterdam.[8] Na aankomst in Rotterdam wordt schimmelvorming geconstateerd. De verzekeraar weigert dekking, onder meer omdat sprake zou zijn van een eigen gebrek, te weten een te hoog vochtpercentage in het in de koffers verwerkte triplex. Het hof oordeelt:

“Bij een beoordeling van deze standpunten wordt vooropgesteld dat de koffers bij aanvang van de verzekerde reis de zich tijdens die reis normaal voordoende omstandigheden zonder beschadiging dienden te kunnen doorstaan. Doorslaggevend is daarom niet, zoals Paget mogelijk meent, of het vochtpercentage van het in de koffers verwerkte triplex normaal was, maar of, uitgaande van een normaal vochtgehalte, de koffers zonder verdere maatregelen, zoals het gebruik van silicagel, bestand waren tegen de normale omstandigheden tijdens de reis in dit jaargetijde. Wanneer niet blijkt van afwijkende omstandigheden als rechtens relevante schadeoorzaak moet worden aangenomen dat sprake is van een eigen gebrek.”

3. Bewijslastverdeling

Het achteraf vaststellen van wat er tijdens het transport is gebeurd, is meestal niet eenvoudig. Soms is de precieze toedracht van de schade simpelweg niet meer met zekerheid vast te stellen. Dan is van doorslaggevend belang wie – verzekeraar of verzekerde – van een stelling de bewijslast draagt.

Bij verzekeringszaken werkt de bewijslastverdeling kort gezegd als volgt: de verzekerde moet bewijzen dat zijn schade is veroorzaakt door een evenement dat binnen de dekkingsomschrijving valt. De bewijslast dat sprake is van een uitsluiting van de dekking, rust op de verzekeraar. Het hangt steeds van precieze inhoud van de betreffende verzekeringsovereenkomst af, of een bepaalde omstandigheid een kwestie van dekkingsomschrijving is, of een uitsluitingsbepaling.

Een standaard transportverzekering op all risks-basis heeft een zeer ruime dekkingsomschrijving. In Clausule G13, behorende bij de Nederlandse Beursgoederenpolis 2006, wordt de dekkingsomvang als volgt omschreven:

alle verliezen van en materiële schaden aan de verzekerde zaken - met inbegrip van de onkosten bedoeld in artikel 3 van de Voorwaarden "Nederlandse Beurs-goederenpolis 2006" - onverschillig door welke oorzaak ontstaan, echter onverminderd de bepalingen in de artikelen 16, 17 en 24 “Aard en gebrek”, “Schuld van een verzekerde” en "Vrij van oorlogsrisico en stakersrisico" van de Voorwaarden "Nederlandse Beurs-goederenpolis 2006"” (nadruk door auteur).

Bij een dergelijk ruime dekkingsomschrijving moet de verzekerde slechts bewijzen dat de goederen tijdens de verzekerde reis zijn beschadigd, maar niet waardoor de schade is opgetreden. Praktisch gezien moet hij bewijzen dat de goederen bij aanvang van de reis (of eigenlijk: bij aanvang van de dekking) in goede staat waren, en bij aankomst beschadigd. Dat is voldoende om de schade in beginsel onder de dekking te brengen. Het verweer van de verzekeraar dat sprake is van een eigen gebrek, is een beroep op een uitsluiting. Daarvan ligt de bewijslast dus bij de verzekeraar.

3.1  Voorbeeld bewijslastverdeling

Een aardig voorbeeld van hoe deze bewijslastverdeling in de praktijk uitwerkt, volgt uit een vonnis van de Rechtbank Amsterdam uit 2014.[9] De casus betreft het vervoer van enkele containers geladen met dozen tabak, vanuit Cuba naar Rotterdam. Na aankomst blijkt dat de dozen in de containers nat zijn geworden en zijn geschimmeld, en dat de tabak is besmet met tabakskevers. De verzekeraar weigert dekking, omdat de schade zich niet zou hebben voorgedaan tijdens de verzekerde reis en omdat sprake zou zijn van een eigen gebrek. De verzekerde kan bewijzen dat de dozen onbeschadigd in de container waren geladen, zodat de schade als gevolg van het nat worden en de schimmelvorming in beginsel onder de dekking valt. Het is vervolgens aan de verzekeraar om te bewijzen dat de schade het gevolg is van een te hoog vochtgehalte in de tabak zelf, en dat daarmee sprake is van een eigen gebrek. De verzekeraar slaagt in dat bewijs en de dekking wordt geweigerd wegens eigen gebrek.

Ten aanzien van de schade als gevolg van de besmetting met de tabakskevers, verloopt het debat iets anders. De verzekerde moet opnieuw bewijzen dat de besmetting tijdens de verzekerde reis heeft plaatsgevonden. Hij stelt in dit kader dat de containers voor aanvang van de reis zijn gefumigeerd en dat ervan uitgegaan moet worden dat alle aanwezige kevers daarbij zijn gedood. De verzekeraar stelt echter dat niet is uitgesloten dat er niet goed genoeg is gefumigeerd en er dus voor aanvang van de reis nog kevers in de lading aanwezig waren. De rechtbank komt op grond van het door partijen aangeleverde bewijsmateriaal tot de conclusie dat niet meer kan worden vastgesteld of er na fumigatie nieuwe kevers in de containers zijn gekomen of dat de al aanwezige kevers door de fumigatie niet allemaal zijn gedood. Omdat de verzekerde de bewijslast draagt van zijn stelling dat de schade zich tijdens de verzekerde reis heeft voorgedaan, en hij dus niet in dat bewijs is geslaagd, wordt ook op dit punt de vordering tot uitkering onder de polis afgewezen.

4. Tot slot

Tenzij anders overeengekomen, is schade die het gevolg is van een eigen gebrek van de verzekerde zaak uitgesloten van dekking onder een transportverzekering. In gevallen waar het eigen gebrek mogelijk een rol speelt, moet steeds worden nagegaan of het inderdaad een eigen gebrek van de verzekerde zaak betreft, of dat toch sprake is van een van buiten komende oorzaak (bijvoorbeeld ondeugdelijke stuwage). Vervolgens moet worden bezien of het eigen gebrek inderdaad de schade heeft veroorzaakt, of dat een andere omstandigheid als rechtens relevante oorzaak moet worden beschouwd.

In de praktijk blijkt het vaak lastig om de precieze toedracht van de schade vast te stellen. Het is dan van belang de bewijslastverdeling voor ogen te houden. In beginsel is het eigen gebrek een uitsluitingsgrond, waarvan de verzekeraar de bewijslast draagt.

Voetnoten

[1] Zie bijvoorbeeld art. 16 van de voorwaarden van de Nederlandse Beurs-Goederenpolis 2006.

[2] HR 7 juni 1996, S&S 1997/110

[3] Hof ‘s-Gravenhage 27 oktober 1998, S&S 2000/126

[4] In deze zaak lijkt het hof overigens van oordeel dat de container geen onderdeel uitmaakt van de verzekerde zaak.

[5] Parl. Gesch. BW Boek 7, titel 17, p. 136 (nr. 6).

[6] Zie H.M.B. Brouwer, Eigen gebrek in het transportverzekeringsrecht (diss.), Zutphen: Paris 2017, p. 41.

[7] Rechtbank Rotterdam 22 oktober 1979, S&S 1980/46 (“Isfahan”)

[8] Hof ‘s-Gravenhage 29 mei 2012, S&S 2013/60 (“Anna Maersk”)

[9] Rechtbank Amsterdam 3 december 2014, S&S 2015/83 (LPL / Delta Lloyd).