arrow close icon-chevron-left icon-chevron-right icon-twitter icon-facebook icon-linkedin icon-zoom icon-trash icon-user icon-cart icon-search icon-chat
Douane Accijns

Accijns – “voorhanden hebben”

Bij fraude met accijnsgoederen wordt vaak nageheven op grond van het “voorhanden hebben” van accijnsgoederen. De vraag is echter; wanneer heeft iemand goederen voorhanden?

INLEIDING

Wanneer iemand accijnsgoederen voorhanden heeft, waarover geen accijns is betaald, dan vormt dat voorhanden hebben een belastbaar feit. Dat is bepaald in artikel 2(1)b van de Wet op de Accijns waarin staat dat accijns mede verschuldigd is wegens het voorhanden hebben van accijnsgoederen wanneer de accijnsgoederen niet op regelmatige wijze in de heffing zijn betrokken.

Een voorbeeld. Als een transportbedrijf een aantal dozen sigaretten in de hoek van de loods heeft staan, heeft het transportbedrijf de sigaretten dan “voorhanden”? En is dat ook het geval als het transportbedrijf niet weet of de sigaretten veraccijnsd zijn, of zelfs niet weet dat er sigaretten in de dozen zitten? In de rechtspraak over deze bepaling komt steeds de vraag op wat het begrip “voorhanden hebben” precies betekent.

Een ander voorbeeld. Een chauffeur moet een lading bier vervoeren en krijgt netjes een CMR mee, waarop het ARC-nummer van de zending staat vermeld. Bij een controle onderweg blijkt echter dat het ARC nummer ongeldig is omdat het nummer al eerder is gebruikt voor een andere zending. De chauffeur heeft de lading onder zich; maar kan daarom worden gezegd dat hij de lading bier voorhanden heeft?

Precies een dergelijk geval deed zich voor in Engeland en in de procedure die daarop volgde zijn inmiddels prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie die evengoed van belang zijn voor de Nederlandse wet.

DE ZAAK VAN MARTYN PERFECT

Wat was het geval? Meneer Martyn Perfect is een ervaren vrachtwagenchauffeur die als zzp’er regelmatig wordt gevraagd om trailers op te halen en elders af te leveren. Ergens in 2013 moet Martyn een lading bier vervoeren van Frankrijk naar het Verenigd Koninkrijk en omdat de papieren in orde lijken, gaat Martyn op weg. Bij de grenscontrole in Dover blijkt echter dat de goederen onder een vals ARC-nummer worden vervoerd, omdat het nummer al voor een andere zending was gebruikt. De Engelse Douane wijst Martyn Perfect aan als schuldenaar van de accijns. Op het moment waarop wordt geconstateerd, dat onveraccijnsde accijnsproducten zich buiten een belasting-entrepot bevinden, is het enkele voorhanden hebben van die producten al voldoende om te kunnen heffen. Dat volgt uit artikel 7, lid 1 onderdeel 2b van de Europese Accijnsrichtlijn en de daarop gebaseerde bepaling in de Engelse wet.[1]

In het beroep tegen de aanslag stelt de rechter eerst vast dat Martyn geen mogelijkheid had om zelf de geldigheid van het ARC-nummer te controleren en verder geen enkele andere informatie had waaruit hij zou hebben kunnen afleiden dat het ARC-nummer dat op de vrachtbrief stond vermeld vals was. De rechter stelt ook vast dat de Engelse Douane geen pogingen heeft gedaan om de wettelijke eigenaar van de vrachtwagen te achterhalen, en evenmin onderzoek heeft gedaan naar de afzender en de koper en ontvanger, maar enkel heeft geconstateerd dat de chauffeur onveraccijnsde goederen voorhanden had. Dat was voldoende om de accijns van Martyn na te heffen, ook al kon Martyn dus eigenlijk geen enkel verwijt worden gemaakt. Saillant detail is dat de naheffing ook nog eens werd verhoogd met een boete van 20%.

Het handelen van de Engelse Douane voelt onredelijk, maar op grond van de tekst van de Engelse wet, alsmede die van de Europese accijnsrichtlijn staat de Engelse douane in haar recht. Gelet op de druk van de Europese Commissie op de nationale Douaneautoriteiten om, waar een wettelijke verschuldigdheid is, ook daadwerkelijk te heffen, is het standpunt van de Engelse Douane wel te begrijpen.

BELANG VOOR NEDERLAND

In de Nederlandse jurisprudentie over de heffing van accijns op grond van “voorhanden hebben” wordt ook herhaaldelijk gesteld dat degene van wie wordt nageheven niet wist dat het om accijnsgoederen ging , of niet wist dat over de goederen geen accijns was afgedragen. Hoe oordelen de rechters daar over?

Onder de oude Accijnsrichtlijn uit 1992 was volgens de Hoge Raad vereist dat degene die over de goederen beschikte wist of redelijkerwijze kon weten dat over de goederen geen accijns was afgedragen.[2]  Na invoering van de nieuwe Accijnsrichtlijn 2008 is de Nederlandse Wet op de Accijns gewijzigd en is het belastbaar feit “voorhanden hebben” opgenomen in artikel 2(1) b WA. In in de Memorie van Toelichting staat daarover het volgende:

“(…)

De in de jurisprudentie van de Hoge Raad ontwikkelde voorwaarden voor toepassing van artikel 2f, zoals de feitelijke beschikkingsmacht en het wetenschapsvereiste, zijn voor de toepassing van het nieuwe artikel 2, eerste lid, onderdeel b, niet meer van belang. (…)

De Accijnsrichtlijn 2008 vereist namelijk niet dat degene die accijnsgoederen voorhanden heeft wetenschap droeg of redelijkerwijs had moeten dragen van het feit dat de goederen niet conform de wettelijke bepalingen in de heffing zijn betrokken (wetenschapsvereiste). Dit vereiste wordt door de Accijnsrichtlijn 2008 alleen gesteld in geval van een onregelmatigheid tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling (artikel 8, eerste lid, onderdeel a, onder ii).

(…)”

Uit de tekst van de wet en de hierboven geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis volgt dat feitelijke beschikkingsmacht en wetenschap geen vereisten meer zijn voor een accijnsschuld wegens het voorhanden hebben van onveraccijnsde accijnsgoederen.[3]

DE ENGELSE RECHTER OVER MARTYN PERFECT

Terug naar de zaak van Martyn Perfect. De Engelse rechter constateert dat de tekst van de Richtlijn geen wetenschap vereist, maar dat van een onschuldige chauffeur niet kan worden gezegd dat deze de goederen, hoewel hij die feitelijk onder zich heeft, ‘voorhanden heeft’.  De rechter in eerste aanleg vindt het namelijk niet redelijk, niet proportioneel en eveneens niet rechtvaardig om de accijns over de goederen na te vorderen van de onschuldige vrachtwagenchauffeur die niet betrokken was bij de fraude en daar ook geen weet van kon hebben.[4]  De rechter wijst in zijn vonnis nog op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Kittel (C-439/04) waarin het Hof kortgezegd oordeelde dat een ondernemer die betrokken raakt bij een btw-fraude niet met een beperking van de aftrek zal worden geconfronteerd als hij niet wist van de fraude en ook niet had kunnen weten van de fraude.

De Engelse Douane gaat in beroep bij het Upper Tax Tribunal. In dat beroep gaat het geschil enkel nog over de vraag of het begrip ‘voorhanden hebben’ ook ziet op een onschuldige hulppersoon die niet wist van de fraude en daar ook geen wetenschap van kon hebben.[5] Het Upper Tax Tribunal erkent dat iemand goederen voorhanden kan hebben, als bedoeld in de Accijnsrichtlijn, zelfs wanneer hij geen enkel commercieel belang heeft bij de goederen, en zelfs wanneer hij de goederen niet fysiek onder zich heeft, zolang hij maar in staat is om rechtens dan wel feitelijk over de goederen te beschikken. Het Upper Tax Tribunal bevestigt echter toch de uitspraak van de rechter in eerste aanleg, omdat ook die rechters vinden dat een onschuldige chauffeur die niet wist en ook niet kon weten dat met de zending werd gefraudeerd, de goederen niet voorhanden heeft als bedoeld in de Accijnsrichtlijn.[6] Martyn Perfect komt wederom met de schrik vrij.

De Engelse Douane gaat echter wederom in beroep. Dit keer bij het Court of Appeal. Volgens het Court of Appeal vereist de tekst van de Accijnsrichtlijn inderdaad niet dat degene die de goederen voorhanden heeft, wetenschap heeft over de accijnsstatus van de goederen. Bovendien, zo stelt het Court of Appeal, verhinderen redelijkheid en proportionaliteit niet zonder meer een duidelijke aansprakelijkheid. Aan de andere kant lijkt een ruime uitleg van het begrip voorhanden hebben, door ook onschuldige hulppersonen aansprakelijk te stellen, geen recht te doen aan de doelstellingen van de Accijnsrichtlijn. Het Court of Appeal stelt dat de reikwijdte van het begrip voorhanden hebben onduidelijk is en besluit daarom aan het Hof van Justitie te vragen hoe het begrip “voorhanden hebben” moet worden uitgelegd.

Het Court of Appeal vraagt of degene die accijnsgoederen feitelijk onder zich heeft, de daarover af te dragen accijns verschuldigd is, in het geval dat deze persoon géén juridisch- of economisch belang heeft bij de goederen, en de goederen tegen vergoeding transporteerde van een Lidstaat naar een andere Lidstaat, en weliswaar wist dat hij accijnsgoederen onder zich had, maar niet wist en ook geen reden had om te vermoeden dat hij de accijnsgoederen onregelmatig vervoerde. Daarbij vraagt het Court of Appeal ook of het voor het antwoord op deze vraag uitmaakt of degene die de goederen feitelijk onder zich heeft, niet weet dat het om accijnsgoederen gaat.

REDELIJKE BELASTINGHEFFING

Ik heb altijd begrepen dat belastingheffing niet redelijk hoeft te zijn, maar ik meen wel dat de bepaling, waarmee wordt geheven wegens een ‘voorhanden hebben’ in feite een restbepaling is, met als doel om in geval van misbruik of fraude een extra aanknopingspunt te hebben om de accijns te kunnen heffen. Gelet op het doel van die bepaling denk ik dat verdedigbaar is dat inderdaad alleen zou moeten worden geheven van degene die over de goederen beschikt én bovendien wist of redelijkerwijze kon weten dat de goederen niet op regelmatige wijze in de heffing waren betrokken.

Ik verwacht echter dat het Hof van Justitie niet snel tot een dergelijke redelijke toepassing zal beslissen. Waarschijnlijk is het daarom aan de politiek, of in dit geval de Europese politiek, om toch enige “redelijkheid” in de wetgeving terug te brengen door geobjectiveerde wetenschap over de accijnsstatus of het strafbare feit, een voorwaarde te laten zijn bij toepassing van een anti-misbruik bepaling. Ik hoop echter voor Martyn en alle andere chauffeurs dat het Hof van Justitie al als zodanig beslist.

 

[1] Finance Act 1994

[2] Hoge Raad 14 mei 2004 nr. 38.370  / Richtlijn 92/12/EG

[3] Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 december 2017, nr, 17/00354

 ECLI:NL:GHARL:2017:11204

[4] Uitspraak First Tier Tax Tribunal van 7 december 2015. Zie ook rechtsoverweging 47 van de uitspraak van het Court of Appeal van 19 maart 2019

[5] Het Upper Tribunal behandelt in beginsel alleen rechtsvragen.

[6] Uitspraak van het Upper Tribunal Tax and Chancery Chamber van 8 december 2017 met nummer UT/2016/0038