Overslaan naar inhoud

Sont les excuses fait pour s’en servir?

Weg en Wagen nummer 74, november 2014

In de Nederlandse rechtspraak wordt een beroep op overmacht door de vervoerder vrijwel nooit gehonoreerd. In dit artikel wordt geëvalueerd, hoe de Belgische rechter naar dit verweer kijkt.

1. België als gunstig forum voor de vervoerder  bij ladingdiefstal?

Hoewel het vervoerrecht in belangrijke mate uniform is en eenzelfde zaak in de verschillende verdragsstaten dus eenzelfde antwoord zou moeten krijgen, blijkt uit de praktijk toch dat het soms kan lonen om een zaak te beginnen in een andere CMR-verdragsstaat (dit is het zogenaamde forumshoppen). Zo is België geliefd bij vervoerders wanneer het gaat over de doorbreking van de CMR-limieten, nu volgens de Belgische rechtspraak er geen met opzet gelijk te stellen zware fouten bestaan,[1] terwijl dat veel minder het geval is wanneer de zaak betrekking heeft op een diefstal van accijnsgoederen. Immers, de Belgische rechtspraak is hier in tegenstelling tot de Nederlandse rechtspraak[2] van oordeel dat accijnzen en BTW die verschuldigd worden door het ladingverlies, moeten worden vergoed door de vervoerder op basis van artikel 23 lid 4 CMR.[3] Deze bijdrage focust op de vraag of in geval van ladingdiefstal, België een nuttige bestemming kan zijn voor een succesvol beroep op vervoerdersovermacht ex art 17 lid 2 CMR door de vervoerder, dan wel of de Belgische rechtspraak net gunstiger is voor de ladingbelanghebbende.[4]

2. Vervoerdersovermacht in de Nederlandse CMR-rechtspraak

Om even uw geheugen op te frissen: een succesvol overmachtsberoep onder artikel 17 lid 2 in fine CMR vereist dat de vervoerder de omstandigheid die de schade heeft veroorzaakt niet kon vermijden en de gevolgen ervan niet kon verhinderen. Het standaardarrest in de Nederlandse rechtspraak omtrent de invulling van deze voorwaarde is Oegema/Amev.[5] In dat Arrest stelde de Hoge Raad dat slechts aan deze voorwaarde is voldaan indien de vervoerder alle in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van een zorgvuldig vervoerder te vergen maatregen heeft genomen om het verlies te voorkomen.

Een onderzoek van de manier waarop deze zorgvuldigheidsstandaard wordt geconcretiseerd in de rechtspraak leert dat de zorgvuldig vervoerder waaraan het concrete gedrag wordt getoetst, werkelijk alle mogelijke voorzorgsmaatregelen treft. Een succesvol beroep op art. 17 lid 2 CMR is dan ook een zeldzaamheid in de Nederlandse rechtspraak.[6] In dat verband heeft Haak dan ook gesteld dat “Het is een publiek geheim dat het standaard beroep op overmacht in CMR-procedures nagenoeg kansloos is.”[7] 

Rekening houdend met de beperkte slaagkans van een overmachtsverweer in Nederland kan het gunstig zijn voor de vervoerder om een andere rechtbank in een ander land op te zoeken. Het hier boven aangehaalde arrest Oegema/Amev biedt op dat vlak nochtans weinig hoop aan de vervoerder. A.G. Spier en in navolging daarvan de Hoge Raad, beargumenteerden immers in Oegema/Amev dat het de bedoeling van de ontwerpers van CMR was dat een beroep op overmacht slechts mogelijk is wanneer de uiterste zorgvuldigheid wordt uitgeoefend en dat die interpretatie ook in het buitenland wordt aangehangen.[8]

3. Vervoerdersovermacht in de Belgische CMR-rechtspraak

Een arrest uit 2011 van het hof van beroep te Antwerpen[9] lijkt in lijn te zijn met het standpunt van de Hoge Raad in Oegema /Amev. In het arrest, dat zo zou kunnen zijn weggeplukt uit de Nederlandse rechtspraak, oordeelt het hof van beroep immers: “in geval van diefstal kan de vervoerder zich slechts van aansprakelijkheid ontdoen wanneer deze in zodanig speciale omstandigheden geschiedt dat zelfs de uiterste voorzichtigheid en voorzorg deze diefstal niet konden verhinderen.” Ook hier lijkt de mogelijkheid om beroep te doen op overmacht dus nagenoeg virtueel. In een recent zeer lijvig rechtspraakoverzicht in het Belgische tijdschrift voor privaatrecht van de hand van Poelmans e.a.,[10] laat mr. Rubens echter een voor de vervoerder veel meer hoopvol geluid horen.[11] In de aangehaalde arresten wordt immers niet vereist dat het schadeverwekkende voorval absoluut onvermijdbaar was of dat de schade absoluut onontkoombaar was,[12] maar dat de schade relatief onvermijdbaar en onontkoombaar was, rekening houdend met de normale voorzorgsmaatregelen die gezien de concrete omstandigheden dienen te worden genomen. Het hof van beroep van Antwerpen gaat uit van een “interpretatie op menselijke wijze”[13] Later positioneert dat zelfde hof dit criterium tussen “de vereiste om elk denkbare maatregel te nemen om schade te vermijden aan de ene kant en de verplichting om redelijk te handelen overeenkomst de voorzichtige normale praktijk aan de andere kant.”[14]

Het verschil tussen enerzijds de uiterste voorzichtigheid en voorzorg die het hof van beroep vereist en anderzijds de relatieve  onvermijdbaarheid en onontkoombaarheid die Rubens naar voren schuift als relevant criterium, blijkt bij een nadere studie in veel gevallen minder groot dan op het eerste gezicht lijkt. Immers, ook de laatstgenoemde uitspraken verwijzen steeds naar de redelijke voorzorgsmaatregelen rekening houdend met de concrete omstandigheden. Daarbij is het ook in de Belgische rechtspraak vaak zo, dat de concrete  omstandigheden van die aard zijn, dat een beroep op overmacht nagenoeg onmogelijk is. Zo wordt bijvoorbeeld bij diefstal in Italië beroep op overmacht zelden aanvaard, ook niet als de vrachtwagen sleutelvast is en voorzien is van een alarmsysteem.

Volgens het hof van beroep te Bergen bestaat er op dit punt zelfs internationale unanimiteit. Dit hof wees dan ook het overmachtsberoep af, in een zaak waar de parkeertijd slechts 45 minuten bedroeg.[15] Ook een ruimere rechtspraakstudie leert dat er grote obstakels zijn aan een succesvol overmachtsberoep in de Belgische rechtspraak en dat  een overmachtsberoep omwille van drie mogelijke redenen kan stuklopen.

3.1 Eerste hindernis: evaluatie getroffen maatregelen

Een eerste reden om een overmachtsberoep af te wijzen is dat de gestelde maatregelen, rekening houdend met de context waarin deze maatregelen werden gesteld, als onvoldoende worden geacht. Des te onveiliger de plaats waar wordt geparkeerd en/of des te diefstalgevoeliger de lading, des te hoger de goede huisvaderstandaard die moet worden vervuld om een overmachtsverweer te doen slagen. Daarbij is er veel rechtspraak beschikbaar die het overmachtsverweer afwijst omdat rekening houdend met de ligging of de kwaliteit van de parkeerplaats de genomen maatregelen onvoldoende waren gezien de aard van het risico.

Een succesvol beroep op een overmachtsverweer is vooreerst zeer moeilijk indien de vrachtwagen of oplegger geparkeerd staat op een niet bewaakte parkeerplaats, die zeer afgelegen ligt. Dat kan bijvoorbeeld in een uithoek van de gemeente zijn,[16] maar ook gewoon uit het zicht en dus buiten de mogelijkheid van sociale controle, zoals aan de achterzijde van een restaurant.[17] Voor wat betreft de kwaliteit van de parkeerplaats is er veel rechtspraak beschikbaar in verband met diefstal op een niet[18] (of gebrekkig) afgesloten bedrijfsterrein.

Een dergelijke gebrekkige afsluiting is bijvoorbeeld voorhanden indien er wel een haag is die het terrein omringt, maar geen hek dat de toegang tot de openbare weg afsluit. Zeker wanneer de vrachtwagens van over de haag zichtbaar zijn, kan aan de afwezigheid van deze haag geen groot belang toekomen.[19] Echter, ook in een zaak waar er wel een omheining was, maar het mogelijk was om met rudimentair geweld weg te komen, werd het overmachtsberoep aanvaard.[20]

Maatregelen die in dergelijke situaties als onvoldoende werden geacht zijn: het enkel aanbrengen van een slot op de container,[21] maar ook de aankoppeling van de trekker aan de slotvaste vrachtwagen op een verlicht terrein tussen de magazijnen en de woning van de zaakvoerder . Zelfs in deze laatste situatie verweet het hof de vervoerder het gebrek aan “antidiefstalsysteem, bewaking en omheining”.[22] Als voldoende werd voorzorgsmaatregelen werd wel aanvaard de situatie waar de terreinen bewaakt werden en de chauffeur bovendien in de vrachtwagen overnachtte.[23] Hoewel in veel gevallen de mogelijkheid van een succesvol beroep op overmacht zeer gering is, blijkt er ook rechtspraak te zijn die op dit punt dat weer wel vrij eenvoudig toelaat; bijvoorbeeld in het geval van diefstal op een onbewaakte parkeerplaats.[24]

3.2 Tweede hindernis: evaluatie locatie en kwaliteit van de parkeerplaats

Een tweede reden om een overmachtsberoep af te wijzen is dat de context zelf waarin de diefstal plaatsvond, die diefstal in de hand werkte. In dat geval richt het onderzoek zich niet op de specifiek getroffen veiligheidsmaatregelen maar, in plaats daarvan, op de vraag of de vervoerder op die plaats moest parkeren dan wel er redelijkerwijze van mocht uitgaan dat het om een veilige plaats ging. Is dat niet het geval, dan is een overmachtsverweer slechts mogelijk voor zover de vervoerder bewijst dat het onvermijdbaar was om op die plaats te parkeren.

Een beroep op de rij-en-rusttijdregelgeving of andere reglementen, kan er daarbij op zichzelf niet voor zorgen dat de vereiste dat het onmogelijk was om op een andere plaats te parkeren, wordt vervuld. Evenmin kan de vervoerder zich verweren door te verwijzen naar de organisatie van het vervoer, zoals bijvoorbeeld het feit dat de lading al op vrijdag moest worden opgehaald, om het vervoer pas op maandag aan te vangen. Op dit punt zijn rechters unaniem van mening dat wanneer de vervoerder een dergelijke opdracht aanvaardt, hij niet aan zijn resultaatsverbintenis kan ontsnappen met verwijzing naar diezelfde opdracht. Zo oordeelde bijvoorbeeld het hof van beroep te Antwerpen in een zaak met diefstal tijdens het weekend op de bedrijfsterreinen dat indien de vervoerder meent dat hij niet in staat is om voldoende voorzorgsmaatregelen te kunnen treffen om de bewaking gedurende het weekend te garanderen, hij die opdracht gewoon moet weigeren.[25] Zelfs het feit dat de vervoerder nog geen toegang kreeg tot de kaai van bestemming werd niet aanvaard als omstandigheid waardoor het onvermijdelijk was om op een parkeerplaats nabij die kaai te parkeren. Immers “In dat laatste geval zou van een voorzichtig vervoerder eerder verwacht worden terug te keren en een nieuwe poging te ondernemen wanneer de toegang tot de plaats van aflevering verzekerd zou zijn.”[26] Tot slot is het vanzelfsprekend zo dat indien de vrachtwagen onnodige omwegen neemt en bijvoorbeeld voor een lunch met collega’s 45 kilometer voorbij de voorziene plaats van levering parkeert, de getroffen maatregelen met een nog kritischer blik zullen worden bekeken.[27]

Als voorbeelden van oorzaken die er wel voor kunnen zorgen dat het onvermijdbaar wordt geacht om op een onveilige parkeerplaats te parkeren, kan worden gedacht aan pech aan de vrachtwagen. Zo werd een beroep op overmacht aanvaard in een zaak waar een vrachtwagen die een klapband kreeg werd overvallen, niet alleen voor die eerste vrachtwagen maar ook voor de vrachtwagen die met de eerste vrachtwagen in konvooi reed en eveneens stopte.[28] Ook plotse ziekte van de chauffeur of  een toiletbezoek[29] werden reeds aanvaard door rechtspraak. Tot slot kan ook worden gedacht aan een zeer grote en onvoorzienbare verkeershinder die het belet dat binnen een redelijke tijdsbestek een veilige parkeerplaats kan worden bereikt.

3.3 Derde hindernis: bewijslastverdeling

Een laatste mogelijke hindernis aan een succesvol overmachtsberoep is praktisch van aard. Immers, zoals volgt uit artikel 18 lid 1 van het CMR-verdrag, draagt de vervoerder de bewijslast van het feit dat hij alle vereiste maatregelen heeft getroffen. Het is voor de vervoerder echter vaak onmogelijk om ingeval van een gestolen vrachtwagen, de juistheid van de door hem getroffen maatregelen te staven. Dat geldt zowel voor de keuze van de plaats van parkeren, als voor wat betreft de beveiligingsmaatregelen die werden genomen.[30]

4. Conclusie: België, “in theorie” gunstig overmachtsforum

Voor de vervoerder die zijn overmachtsverweer wil zien slagen en poogt te ontsnappen aan de “strikte” Nederlandse rechtspraak, biedt dit artikel drie argumenten om zijn reis naar België te heroverwegen. De drie besproken hindernissen zorgen er immers voor dat hoewel een overmachtsverweer theoretisch zeker niet onmogelijk is, het toch slechts in een minderheid van de zaken daadwerkelijk wordt aanvaard. De vervoerder die toch de grens oversteekt op zoek naar een gunstiger forum, zal zijn reis naar België dan ook vaak niet beloond zien. Vermits in de Belgische rechtspraak accijnzen en BTW die opeisbaar worden door de ladingdiefstal, verschuldigd zijn door de vervoerder, zal de vervoerder er in een dergelijk geval zelfs bekaaider vanaf komen dan wanneer de vordering voor de Nederlandse rechter zou zijn gebracht.

 

                       
Voetnoten
 
1. Cass. 27 januari 1995, TBH 1995, 232; Cass. 30 maart 2000, ETL 2000, 392
2 Rb. Amsterdam 30 maart 1977, S&S 1978, 36; Rb. Maastricht 8 december 2004
3 Cass. 30 mei 2002, www.unidroit.info
4 Deze vraag kwam eerder reeds aan de orde in K.F. Haak en W. Verheyen, “De omvang van de schadevergoeding onder de CMR in de Nederlandse en Belgische rechtspraak”, in
Transportrecht: wat dekt de lading?, Intersentia, 2011,44-55. In die bijdrage wordt overigens ook ingegaan op de andere voormelde punten die relevant zijn bij de keuze van het meest
gunstige forum
5 HR 17 april 1998, S&S 1998, 75
6 Zie in die zin A.G. Mr. Spier, Conclusie bij HR 17 april 1998, S&S 1998, 75, ro.4.3
7 K.F. Haak In K.F. Haak en W. Verheyen, “De omvang van de schadevergoeding onder de CMR in de Nederlandse en Belgische rechtspraak”, in Transportrecht: wat dekt de lading?,
Intersentia 2011, 44
8 Zie A.G. Mr. Spier, Conclusie bij HR 17 april 1998, S&S 1998, 75, ro.4.1- 4.2.2 en HR 17 april 1998, S&S 1998, 75, ro. 3.3
9 Hof Antwerpen 4 april 2011, 2009/AR/2802 (n.g.)
10 A. Poelmans, “Overzicht van rechtspraak. Vervoersrecht 1976-2012”, TPR 2013, afl. 3, 1607-2453
11 P. Rubens , “Ontheffingen van aansprakelijkheid van de vervoerder” in A. POELMANS, “Overzicht van rechtspraak. Vervoersrecht 1976-2012”, TPR 2013, afl. 3, 1607
12 Hof Antwerpen 23 april 2012, ETL 2012, 420; Kh. Turnhout 30 juni 1997, ETL 1998, 139
13 Hof Antwerpen 25 oktober 2004, ETL 2006, 79. Zie ook over dit begrip: Hof Antwerpen 6 maart 2006, ETL. 2006, 429; hof Antwerpen 3 oktober 2005, ETL 2006, 284; Kh. Brussel 11
februari 1988, T.B.H. 1988, 879
14 Antwerpen 3 oktober 2005, ETL 2006, 284
15 Hof Bergen 14 mei 2002, ETL 2004, 99
16 Kh. Antwerpen 14 april 2000, Transportrechtspraak BVZ 2000, 630 (in een dergelijk geval volstaat een slot op de container niet)
17 Hof Gent 3 oktober 2005, T.B.H. 2006, 732 (onbewaakte parking aan achterzijde restaurant in Italië)
18 Hof Antwerpen 4 mei 2009, R.H.A. 2009, 219 (bij een niet-bewaakte parking is camerabewaking een onvoldoende voorzorgsmaatregel); hof Antwerpen 4 april 2011, 2009/AR/2802 (n.g.);
hof Antwerpen 3 oktober 2005, ETL. 2006, 284
19 Antwerpen 3 oktober 2005, ETL. 2006, 284
20 Gent 1 maart 2002, Transportrechtspraak BVZ 2002, 22
21 Kh. Antwerpen 14 april 2000, Transportrechtspraak BVZ 2000, 630
22 Hof Antwerpen 4 april 2011, 2009/AR/2802 (n.g.); zie voor dezelfde verwijten tegen de vervoerder: hof Antwerpen 3 oktober 2005, ETL. 2006, 284
23 Antwerpen 8 januari 1993, R.H.A. 1995, 332
24 Zie pro een succesvol overmachtverweer bij brand tijdens een overnachting op een onbewaakte parking zonder benzinestation: Kh. Luik 12 juni 1998, R.H.A. 1998, 461
25 Antwerpen 3 oktober 2005, ETL 2006, 284; Zie in die zin ook: hof Antwerpen 15 juni 2009, ETL. 2010, 199;
26 Hof Antwerpen 30 mei 2011, 2010/AR/556 (n.g.)
27 Hof Bergen 14 mei 2002, ETL 2004, 99
28 Hof Antwerpen 25 oktober 2004, ETL. 2006, 79
29 Kh.. Tongeren 27 mei 1992, ETL. 1992, 852 (in deze zaak stopte de chauffeur op een bewaakte parking om te plassen. In verband daarmee stelt de rechtbank dat het onmogelijk is om
lange afstanden te rijden zonder toiletbezoek.)
30 Zie bv. hof Antwerpen 4 april 2011, 2009/AR/2802 (n.g.)(in deze gevallen achtte de rechtbank niet bewezen dat de in voetnoot 11 ingeroepen maatregelen ook daadwerkelijk
plaatsvonden); zie ook hof Antwerpen 30 mei 2011, 2010/AR/556 (n.g.).(bewijs van parkeren op bewaakte parking en plaatsen veiligheidsblokkage op de kingpin).

      h1, h2, h3, h4, h5 { font-weight: bold !important; } h1, h2, h3 { font-size: 18px !important; } h4, h5 { font-size: 16px !important; }  
      Print Friendly and PDF
      Sont les excuses fait pour s’en servir?
      Wouter Verheyen, Professor arbeidsrecht en transportrecht Universiteit van Antwerpen 21 mei 2026


      Deel deze post
      ArchiEF

      Vraag uit de praktijk over LD voorwaarden
      Weg en Wagen nr. 106, mei 2026