Wie draagt de verantwoordelijkheid? Over onjuiste aangiften en risicoverdeling
In de (douane)expeditie worden contracten vaak gesloten als onderdeel van de dagelijkse praktijk. Een handtekening, een machtiging, de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden – en daarna gaat men weer door. Zolang alles goed gaat, lijken die afspraken weinig betekenis te hebben. Maar zodra de Douane een navordering oplegt en partijen tegenover elkaar komen te staan, verschuift de aandacht direct naar diezelfde contracten. Dan blijkt dat juist daarin wordt bepaald wie het risico draagt.
In dit artikel ga ik aan de hand van een recente uitspraak van de Rechtbank Rotterdam[1] in op de vraag wie de verantwoordelijkheid draagt voor onjuiste douaneaangiften en hoe de risicoverdeling tussen importeur en douane-expediteur contractueel wordt bepaald.
Eerst schets ik de feiten van de zaak en de langdurige samenwerking tussen partijen. Vervolgens bespreek ik de standpunten van zowel de importeur als de expediteur. Daarna analyseer ik de drie kernvragen die de rechter hanteert: de nakoming van de overeenkomst, de eventuele schending van een zorgplicht en de vraag of een navordering als schade kwalificeert. Ik sluit af met enkele praktische lessen voor de contractuele inrichting van de samenwerking in de douane-expeditie.
Een jarenlange samenwerking onder de loep
Eind 2025 deed de Rechtbank Rotterdam uitspraak in een kort geding tussen een importeur van zongedroogde tomaten en een douane-expediteur (hierna: “expediteur”). De importeur is gespecialiseerd in plantaardige producten; de expediteur op zijn beurt in douane-expeditie.
Partijen werkten al jarenlang samen. De importeur gaf de expediteur met regelmaat opdracht om goederen in het vrije verkeer te brengen. In veel gevallen betrof dit gedroogde tomaten, in uiteenlopende soorten en smaken.
De opdrachten voor het indienen van de aangiften – via directe vertegenwoordiging – werden telkens per e-mail verstrekt. Daarbij gaf de importeur een beschrijving van de goederen en een bijbehorende goederencode. Voor de verschillende soorten gedroogde tomaten hanteerde de importeur ook verschillende omschrijvingen en codes. De expediteur diende de aangiften in op basis van die aangeleverde gegevens.
Toen de Douane controles uitvoerde, concludeerde zij dat gedurende langere tijd een onjuiste goederencode was gebruikt. Een navordering volgde, waartegen de importeur bezwaar maakte. Vanaf dat moment kwamen partijen tegenover elkaar te staan en richtten zij hun blik op de afspraken die zij bij aanvang van de samenwerking hadden gemaakt. De kernvraag werd daarmee: wie draagt de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de douaneaangifte, en voor de betaling van de navordering?
De importeur stelde zich op het standpunt dat de expediteur aansprakelijk was en legde meermaals beslag op diens bankrekeningen. De expediteur startte daarop een kort geding tot opheffing van die beslagen. In datzelfde kort geding lag ook de vraag voor of de expediteur gehouden was de navordering te voldoen.
De afspraken
De rechtsverhouding tussen partijen was gebaseerd op de standaardovereenkomst / machtiging directe vertegenwoordiging van Fenex en evofenedex. Daarnaast waren de Nederlandse Expeditievoorwaarden van toepassing verklaard.
Verder was van belang hoe partijen feitelijk uitvoering gaven aan hun samenwerking, in het bijzonder de wijze waarop de opdrachten per e-mail werden verstrekt. Partijen verschilden van mening wat zij over en weer van elkaar mochten verwachten.
Standpunt van de importeur
De importeur stelt dat de expediteur de opgegeven goederencode niet zonder meer had mogen overnemen. Volgens hem rust op een expediteur een zorgplicht om de juistheid van de goederencode te controleren en bij onjuistheden te waarschuwen.
Daarbij wijst hij erop dat juist de expediteur de specialist is op het gebied van douaneformaliteiten. Om die reden meent de importeur dat de gevolgen van de onjuiste indeling voor rekening van de expediteur moeten komen.
De importeur kwalificeert de navordering als schade. Volgens hem betreft dit een bedrag dat hij niet meer kan doorberekenen in de verkoopprijs van de tomaten.
Standpunt van de expediteur
De expediteur bestrijdt dit en voert aan dat uit de machtiging directe vertegenwoordiging, in combinatie met de Nederlandse Expeditievoorwaarden, geen verplichting volgt om de door de importeur aangeleverde gegevens inhoudelijk te controleren.
Zijn rol is volgens de expediteur uitvoerend. Per opdracht ontvangt hij de gegevens, waaronder de goederencode, die vervolgens in de aangifte worden verwerkt. Van een afzonderlijke opdracht tot advisering over de tariefindeling of controle van de juistheid daarvan is geen sprake.
Ook bestond er geen aanleiding om aan de opgegeven goederencode te twijfelen. Die sloot aan bij de omschrijving van de goederen, terwijl de importeur voor andere producten juist andere codes hanteerde. De aangiften werden bovendien ingediend in naam en voor rekening van de importeur, zodat de gevolgen daarvan ook voor diens rekening komen.
Tot slot voert de expediteur aan dat geen sprake is van schade, nu de invoerrechten hoe dan ook verschuldigd zouden zijn geweest bij gebruik van de juiste goederencode.
De vragen van de rechter
Tegen deze achtergrond komt de voorzieningenrechter tot een beoordeling aan de hand van drie vragen. Deze vragen vormen het kader voor de verdere beoordeling en worden hieronder afzonderlijk besproken:
1. Is de expediteur de verplichtingen uit de overeenkomst nagekomen?
2. Heeft de expediteur een zorgplicht geschonden?
3. Vormt de betalingsverplichting uit de navordering schade?
Nakoming van de overeenkomst
Ten aanzien van de eerste vraag oordeelt de rechter dat uit de overeenkomst niet volgt dat de expediteur gehouden was tot advisering of begeleiding, zoals de importeur stelt. Uit de overeenkomst blijkt juist dat de importeur de benodigde gegevens moet aanleveren voor het opstellen van een juiste aangifte. Van een adviserende rol aan de zijde van de expediteur is geen sprake.
Dat oordeel sluit aan bij de feitelijke gang van zaken. Partijen werkten sinds 2010 samen volgens een vast patroon. Voor iedere aangifte stuurde de importeur een afzonderlijke opdracht per e-mail, inclusief de relevante gegevens en de goederencode. Er werd geen advies gevraagd en daarvoor werd ook niet betaald.
De zorgplicht van de expediteur
Vervolgens komt de vraag aan de orde of sprake is van een geschonden zorgplicht. Ook ten aanzien van de gestelde zorgplicht volgt de rechter de importeur niet.
De instructies van de importeur gaven geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de opgegeven goederencodes. De expediteur kon de goederen bovendien niet zelf inspecteren.
Daarbij weegt mee dat de importeur kennelijk bekend is met het bestaan van verschillende goederencodes voor de producten. In andere opdrachten hanteert hij immers andere codes voor vergelijkbare producten.
Is de navordering schade?
Ten slotte de vraag of de navordering als schade kan worden aangemerkt. Volgens de rechter is dat niet zomaar het geval. Op het moment van indiening van de aangifte worden de verschuldigde invoerrechten vastgesteld. Indien direct de juiste goederencode was gebruikt, zou de importeur die rechten hoe dan ook verschuldigd zijn geweest.
Volgens de rechter ligt het op de weg van de importeur om zijn producten te kennen en te weten welke invoerrechten daarop van toepassing zijn. Dat de importeur niet op de aanvullende betalingsverplichting heeft gerekend, maakt nog niet dat sprake is van schade.
De voorzieningenrechter acht daarom niet aannemelijk dat de importeur schade heeft geleden.
Gelet op het voorgaande heeft de voorzieningenrechter de door de importeur gelegde beslagen per direct opgeheven.
Conclusie
Deze zaak laat zien dat contracten in de douane-expeditie allesbehalve een formaliteit zijn. Juist wanneer discussie ontstaat over een aangifte, een goederencode of een navordering, bepalen de gemaakte afspraken in belangrijke mate wie de verantwoordelijkheid heeft.
Voor expediteurs is vooral van belang dat duidelijk wordt vastgelegd welke rol zij vervullen. Gaat het om het indienen van aangiften op basis van aangeleverde gegevens, of wordt ook advies verwacht over bijvoorbeeld tariefindeling? Dat verschil is in de praktijk groot.
Voor importeurs geldt het omgekeerde. Wie goederen invoert, moet weten welke gegevens voor de aangifte worden verstrekt en welke gevolgen daaraan verbonden zijn. Als specifieke ondersteuning of controle gewenst is, moet dat ook expliciet worden gevraagd en afgesproken.
De uitspraak onderstreept het belang van duidelijk schriftelijk vastgelegde afspraken aan het begin van de samenwerking. Want als het misgaat, wordt daar uiteindelijk op afgerekend.
Voetnoten
1. ECLI:NL:RBROT:2025:14398